Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-13
ECLI:NL:CRVB:2023:1358
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Schadevergoedingsuitspraak
2,136 tokens
Inleiding
184481 WIA
Datum uitspraak: 13 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juli 2018, 17/7895 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. F.R. Heijstek hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Heijstek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
De Raad heeft het onderzoek heropend en een deskundige benoemd. Deze heeft op 1 juni 2022 een rapport uitgebracht.
Het Uwv heeft op 11 januari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brieven van 28 februari 2023 en 7 maart 2023 is namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit laatste verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het Uwv heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Proceskosten
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 januari 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Het Uwv heeft in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 januari 2023 te kennen geven de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten. De Raad ziet dan ook (slechts) aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.092,50 ,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke zienswijze na deskundigenonderzoek, à € 837,- per punt).
Appellante heeft in hoger beroep een deskundigenrapport ingezonden van 16 maart 2020 van verzekeringsarts D. Erdogan. Het verzoek om vergoeding van de kosten van dit rapport (€ 2.434,52) komt voor toewijzing in aanmerking.
De reiskosten in hoger beroep, bestaande uit de op het Formulier proceskosten genoemde reiskosten in verband met het bezoek aan de door de Raad benoemde deskundige ad € 42,56, komen voor vergoeding in aanmerking.
Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten, bestaande uit de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, deskundigenkosten en reiskosten, bedraagt € 4.569,58.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit, dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt (zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91). In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 11 januari 2023 aan appellante bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 19 januari 2017 tot de datum van het tegemoetkomende besluit van 11 januari 2023 heeft de procedure bijna zes jaar geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna twee jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van het Uwv bijna tien maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met vier maanden (afgerond naar boven) is overschreden. Daarmee is vastgesteld dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt volgens die methode veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 333,33 (4/24 deel van € 2.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.666,67 (20/24 deel van € 2.000,-).
Aanleiding bestaat om de Staat en het Uwv, beide voor de helft, te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 418,50 (1 punt, met een wegingsfactor van 0,5) voor verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 333,33;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.666,67;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van (€ 4.569,58 + € 209,25 =) € 4.778,83;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 209,25.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2023.