Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-05
ECLI:NL:CRVB:2023:1279
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,593 tokens
Inleiding
214369 WIA
Datum uitspraak: 5 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2021, 21/2100 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Duitsland, (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. A.J.M. Vélu, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2022. Voor appellante is verschenen mr. Vélu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft psychiater J.J.D. Tilanus, psychiater, benoemd als deskundige.
De deskundige heeft op 20 december 2022 rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd, waarbij het Uwv nadere rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ingebracht.
Appellante heeft hierop gereageerd.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verzorgende/helpende voor 36 uur per week. Op 4 maart 2013 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 2 maart 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Per 2 februari 2016 is de uitkering van appellante omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 26 juli 2018 heeft het Uwv besloten dat de WGA-uitkering van appellante niet wijzigt.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv op 14 april 2020 opdracht aan Psyon gegeven om een psychiatrisch onderzoek te laten verrichten. Psyon heeft op 9 juli 2020 een rapport uitgebracht aan het Uwv. Een verzekeringsarts heeft daarop, onder meer op grond van de uitkomsten van het onderzoek van psychiater B. Bouten van Psyon, vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 7 augustus 2020 vastgesteld dat appellante na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 14 oktober 2020 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 15 januari 2021 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 25 februari 2021 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig plaatsgevonden en bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de uitkomst van dit onderzoek.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij aanzienlijk meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsartsen is aangenomen en dat haar lichamelijke en psychische klachten ten opzichte van maart 2015 niet zijn verminderd. Daarbij heeft appellante verwezen naar al in het dossier aanwezige informatie van haar behandelend internist en psychiater. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een medische verklaring van 27 oktober 2021 van prof. dr. Uhlenbrock en van 20 december 2021 van dr. T. Degener overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
3.3.
Omdat in hoger beroep twijfel is ontstaan over de bij appellante aanwezige psychiatrische diagnoses op 14 oktober 2020 en de hieruit voortvloeiende beperkingen, heeft de Raad een deskundige benoemd. De door de Raad ingeschakelde deskundige Tilanus heeft in het rapport van 20 december 2022 geconcludeerd dat bij appellante op 14 oktober 2020 sprake is van een persisterende aanpassingsstoornis en somatisch-symptoomstoornis, die waarschijnlijk worden
gecompliceerd door een in het kader van dit onderzoek niet nader te specificeren
persoonlijkheidsstoornis. Op grond van deze diagnoses heeft de deskundige geconcludeerd dat in de rubriek persoonlijk functioneren onder meer moet worden meegewogen dat appellante, bijvoorbeeld in een arbeidssituatie, vermoedelijk veel minder goed in staat is tot het zelfstandig nemen van alledaagse beslissingen, het nemen of krijgen van verantwoordelijkheden, het voor zichzelf opkomen en het zelf ontplooien van initiatieven. In de rubriek sociaal functioneren acht de deskundige van belang dat bij de beoordelingspunten 6, 8 en 9 ook rekening wordt gehouden met de besproken beperkingen in het affectieve en conatieve domein.
3.4.
Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 10 januari 2023 te kennen gegeven dat deze beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren worden overgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat licht vermeld dat er bij appellante sprake is van een beperkte emotionele belasting. Zij is veel minder goed in staat tot het uiten, maar ook het hanteren, verdragen en het onder woorden brengen van met name gevoelens van verdriet, boosheid of frustratie. Appellante is daardoor ook aanzienlijk beperkt ten aanzien van de confrontatie met onredelijke, onvriendelijke of agressieve personen en/of al alledaagse conflicten. Zij is ook niet goed in staat om met emotionele uitingen van anderen om te gaan. Met name de confrontatie met omstandigheden of situaties die kunnen appelleren aan haar persoonlijke geschiedenis (verlies van moeder/moord door stiefvader) kunnen leiden tot beperkende emotionele ontregelingen. Appellante is volgens de deskundige vermoedelijk veel minder goed in staat tot het zelfstandig nemen van alledaagse beslissingen, het nemen of krijgen van verantwoordelijkheden, het voor zichzelf opkomen en het zelf ontplooien van initiatieven. Appellante is vermoedelijk ook beperkt ten aanzien van het aangaan en onderhouden van gangbare sociale contacten/interacties en zij is aanzienlijk beperkt ten aanzien van het in het openbaar/voor anderen moeten optreden of spreken. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vertaald en vastgelegd in een gewijzigde FML van 10 januari 2023.
3.5.
Appellante heeft in reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangevoerd dat zij van oordeel blijft dat haar belastbaarheid niet juist is beoordeeld en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische situatie.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 14 oktober 2020 heeft vastgesteld op minder dan 35%.
4.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijk, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante, alsmede de informatie van de artsen van het Uwv zijn kenbaar bij de beoordeling betrokken. De deskundige heeft appellante daarnaast gezien op een spreekuur waarbij een uitgebreide anamnese is afgenomen.
4.3.
Er wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de deskundige of de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep met inachtneming hiervan aangenomen aanvullende beperkingen in de belastbaarheid van appellante. Daarbij wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ondanks dat de deskundige heeft gesteld dat er een vermoeden van aanwezige beperkingen is, deze beperkingen heeft overgenomen en vertaald naar de gewijzigde FML van 10 januari 2023. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee een onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante op de datum in geding. De stelling van appellante dat haar belastbaarheid desondanks niet juist is beoordeeld, heeft zij niet onderbouwd met aanvullende medische gegevens. Dit betekent dat thans geen twijfel meer bestaat over de juistheid van de vastgelegde beperkingen van appellante.
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 10 januari 2023 wordt geen reden gezien te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.766,50;
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 183,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2023.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor