Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-13
ECLI:NL:CRVB:2023:1169
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
991 tokens
Inleiding
2275 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [plaatsnaam 1] van 27 oktober 2021, 20/499 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Uitspraakdatum: 13 juni 2023
Zitting heeft: A.M. Overbeeke als lid van de enkelvoudige kamerGriffier: M. Ramanand
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2023. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat, mr. M.I. Bal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Dit betekent dat de intrekking van de (aanvullende) bijstand over de periode van 29 december 2018 tot en met 3 april 2019 en de terugvordering over deze periode van € 895,73 in stand blijven.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Met zijn onderzoek heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode van 29 december 2018 tot en met 3 april 2019 niet haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres in [plaatsnaam 1] . Uit het onderzoek blijkt onder andere dat appellante op 11 april 2019 heeft verklaard dat haar kinderen in [plaatsnaam 2] wonen en dat zij daarom vaker in [plaatsnaam 2] is. Appellante werkte ook in [plaatsnaam 2] en ook op de loonspecificaties van appellante staat een adres in [plaatsnaam 2] vermeld. Het pingedrag van appellante bevestigt haar verklaring; appellante pinde vrijwel alleen in [plaatsnaam 2] . Verder is gebleken dat appellante haar bankafschriften in [plaatsnaam 2] ontvangt op het adres waar haar kinderen wonen. Ook op haar CV heeft appellante een adres in [plaatsnaam 2] vermeld bij haar persoonlijke gegevens. Verder blijkt uit de reisgegevens die het college van appellante heeft ontvangen dat appellante in de periode waar het hier over gaat éénmaal vertrekt vanuit [plaatsnaam 1] . Zij vertrekt veel vaker uit [plaatsnaam 2] , dat ook vaak haar eindstation is.
Het college mocht waarde hechten aan de verklaringen van appellante dat zij vaker in [plaatsnaam 2] is, ook al heeft zij later betoogd dat zij dat niet zo heeft verklaard. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet mag worden uitgegaan van de juistheid van deze door haar tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring.
Verder kan uit de redenen die appellante geeft voor het gebruik van een adres in [plaatsnaam 2] , haar pinbetalingen in [plaatsnaam 2] en haar reisgegevens – hoe begrijpelijk ook – niet worden afgeleid dat zij wel haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres in [plaatsnaam 1] .
Dat bij het huisbezoek op 11 april 2019 is vastgesteld dat appellante op dat moment woonde op het opgegeven adres, betekent niet dat appellante ook in de periode waar het hier over gaat (namelijk van 29 december 2018 tot en met 3 april 2019) haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Het huisbezoek is verricht na de hier te beoordelen periode en in zowel de reisgegevens als het pingedrag van appellante is een wijziging zichtbaar. Daarmee is sprake van een andere situatie dan de situatie in de te beoordelen periode.
Het hoger beroep slaagt dus niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) M. Ramanand