Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-30
ECLI:NL:CRVB:2023:1148
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,220 tokens
Inleiding
221365 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2022, 21/1565 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 30 mei 2023
Zitting heeft: D. Hardonk-Prins
Griffier: L.C. van Bentum
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 mei 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door een vriendin. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Mensing van Charante.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Wat ging er aan het hoger beroep vooraf
1.1.
Appellant heeft bij het college een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen. Appellant heeft daarbij laten weten dat hij na een autoongeluk in 2003 letsel heeft opgelopen, met onder andere pijnklachten aan zijn benen tot gevolg. Deze pijnklachten verergeren als appellant zich in de buitenlucht moet verplaatsen. In verband hiermee heeft het college een persoonsgebonden budget voor een scootmobiel en een pas voor Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) aan appellant verstrekt. Bij besluit van 30 november 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 9 maart 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant voor een gesloten buitenwagen afgewezen. Het college heeft daarbij verwezen naar een advies van 26 november 2020 van het Indicatie Adviesbureau Amsterdam (IAB).
1.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich bij de afwijzing van de aanvraag om een gesloten buitenwagen heeft mogen baseren op het IAB-advies en heeft kunnen volstaan met het verstrekken van een scootmobiel in combinatie met een AOV-pas. Appellant heeft geen aandoening waardoor hij niet in de buitenlucht kan verblijven. Hij kan als het kouder is voldoende maatregelen treffen bij het gebruik van de scootmobiel, zoals het dragen van beschermende kleding of het gebruiken van een beenkleed. Appellant heeft geen (medische) gegevens naar voren gebracht die maken dat er getwijfeld moet worden aan het standpunt van het college dat appellant niet is aangewezen op een gesloten buitenwagen.
De gronden van het hoger beroep
2. Appellant is het niet met de aangevallen uitspraak eens en heeft in hoger beroep herhaald dat hij in aanmerking moet komen voor de gevraagde gesloten buitenwagen. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een verklaring van 26 april 2022 van zijn huisarts overgelegd.
Beoordeling
3. Appellant heeft in hoger beroep in grote lijnen herhaald wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Nieuw is de verklaring van de huisarts. Hierin heeft de Raad geen steun gevonden om over de afwijzing van de gesloten buitenwagen tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Uit de verklaring van de huisarts kan niet worden afgeleid dat het college – in navolging van het IAB-advies – van onjuiste gegevens is uitgegaan over de (medische) situatie van appellant. Deze verklaring geeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies uit het IAB-advies. De rechtbank is dan ook met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met de combinatie van een scootmobiel (waarvoor in de plaats appellant voor een driewielfiets met hulpmotor heeft gekozen) en een AOV-pas voldoende tegemoet gekomen wordt aan de vervoersbehoefte van appellant en dat appellant niet is aangewezen op een gesloten buitenwagen. Ook de door appellant ter zitting naar voren gebrachte praktische bezwaren tegen het gebruik van het AOV – zoals het moeten bellen – en zijn wens om meer vrijheid te hebben vormen geen aanleiding voor het oordeel dat aan appellant een gesloten buitenwagen moet worden verstrekt. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal
De griffier De voorzitter van de enkelvoudige kamer
(getekend) L.C. van Bentum (getekend) D. Hardonk-Prins