Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-15
ECLI:NL:CRVB:2023:1107
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,036 tokens
Inleiding
20 4304 WIA, 20/4305 WIA
Datum uitspraak: 15 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
7 december 2020, 20/192 en 20/622 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[naam v.o.f.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Namens appellante heeft [A.] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2023. Namens appellante is [B.] verschenen, bijgestaan door [A.] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. Betrokkene is verschenen.
Overwegingen
1. Betrokkene was werkzaam bij appellante als monteur voor 38 uur per week toen hij op 14 juli 2017 als gevolg van een CVA voor dat werk is uitgevallen. Tijdens zijn re-integratie bij appellante heeft betrokkene op 24 augustus 2018 opnieuw een CVA gekregen. Op 12 september 2018 heeft appellante een deskundigenoordeel aangevraagd. Op 24 oktober 2018 heef het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellante tot dan toe als voldoende beoordeeld. Betrokkene heeft op 16 april 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 10 juli 2019 heeft het Uwv het tijdvak waarin betrokkene tegenover appellante recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 10 juli 2020. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd omdat volgens het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor deze tekortkoming. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 december 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Op 13 december 2019 heeft appellante het Uwv verzocht de loonsanctie te bekorten omdat – kort gezegd – betrokkene om medische redenen niet beschikbaar is voor re-integratie en er op 17 december 2019 een operatie plaatsvindt waarbij de hersteltijd naar verwachting zes weken zal bedragen. Bij besluit van 20 januari 2020 heeft het Uwv geweigerd het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsverplichting te bekorten. Bij besluit van 9 maart 2020 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 januari 2020 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de medische onderzoeken die aan de bestreden besluiten ten grondslag liggen zorgvuldig geweest.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv niet bij of krachtens de wet of enige andere regel gehouden is om advies aan de Loonsanctiecommissie (LLC) te vragen en evenmin om een werkgever daarover te informeren. De rechtbank heeft daarbij nog opgemerkt dat in beroep is gebleken dat de LLC in het geval van appellante is geraadpleegd en akkoord is gegaan met de voorgestelde loonsanctie. De rechtbank heeft verder overwogen dat de loonsanctie niet te laat is opgelegd. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat er re-integratiekansen zijn gemist en dat in januari 2019 een nieuwe analyse had moeten plaatsvinden van de beperkingen van betrokkene. Deze analyse is niet uitgevoerd. Als gevolg daarvan zijn de beperkingen van betrokkene onvoldoende in kaart gebracht. De loonsanctie is dan ook terecht opgelegd. Over het verzoek de loonsanctie te bekorten heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat uit de overgelegde medische informatie niet blijkt dat betrokkene een periode van drie maanden niet beschikbaar zou zijn om te re-integreren. De bekorting van de loonsanctie is dan ook terecht geweigerd.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat aan de loonsanctie geen zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt omdat in bezwaar door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is volstaan met dossierstudie. De loonsanctie is ten onrechte opgelegd omdat er geen re-integratiekansen zijn gemist. De klachten en beperkingen van betrokkene zijn na het tweede CVA in augustus 2018 alleen maar toegenomen, zodat de bedrijfsarts terecht een situatie van geen benutbare mogelijkheden heeft aangenomen. Appellante wijst erop dat na afloop van de verlengde wachttijd aan betrokkene een IVA-uitkering is toegekend, terwijl de klachten en beperkingen van betrokkene per einde wachttijd niet anders waren. Ook heeft appellante haar standpunten gehandhaafd dat de loonsanctie niet op de voorgeschreven wijze is voorgelegd aan de LLC en dat de loonsanctie te laat is opgelegd. Appellante heeft verder herhaald dat de loonsanctie ten onrechte niet is bekort, dat haar verzoek om bekorting ten onrechte zonder nader onderzoek op de stukken is afgewezen en dat ook in bezwaar ten onrechte volstaan is met dossierstudie. Verder zijn er volgens appellante ook hier geen re-integratiekansen gemist.
4.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.1.
Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”
5.1.2.
In artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA, is bepaald dat indien de werkgever nadat een loonsanctie als bedoeld in het negende lid is gegeven, van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de reintegratieverplichtingen heeft hersteld, hij dit meldt aan het Uwv, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.
5.1.3.
Op grond van artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie inspanningen, die zijn verricht.
5.1.4.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werkneemster in redelijkheid konden komen tot de re-integratie inspanningen die zijn verricht. Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter (Werkwijzer) van belang, waarmee het Uwv aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht.
Loonsanctie
5.2.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het loonsanctiebesluit te laat, dat wil zeggen: niet uiterlijk op de laatste dag van de wachttijd, is verzonden. Uitgaande van een op 14 juli 2017 aangevangen wachttijd is het loonsanctiebesluit op 10 juli 2019 tijdig, dat wil zeggen: vóór het einde van de wachttijd, verzonden.
5.3.
Niet ter discussie staat dat de re-integratie-inspanningen van appellante niet tot een bevredigend re-integratieresultaat hebben geleid en dat daarom kon worden toegekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van appellante.
5.4.
Appellante heeft in hoger beroep volstaan met een herhaling van wat zij bij de rechtbank tegen bestreden besluit 1 heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgronden besproken en terecht geoordeeld dat die niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daar het volgende aan toe.
5.5.
Van een onzorgvuldige besluitvorming zoals door appellante gesteld is geen sprake.
Conclusie
5.9.
Uit 5.2 tot en met 5.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.10.
Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijs het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2023.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Bijvoorbeeld de uitspraken van 20 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4864 en 10 juni 2015,
ECLI:NL:CRVB:2015:1940.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2726.
Inleiding
20 4304 WIA, 20/4305 WIA
Datum uitspraak: 15 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
7 december 2020, 20/192 en 20/622 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek tot veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[naam v.o.f.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Namens appellante heeft [A.] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2023. Namens appellante is [B.] verschenen, bijgestaan door [A.] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke. Betrokkene is verschenen.
Overwegingen
1. Betrokkene was werkzaam bij appellante als monteur voor 38 uur per week toen hij op 14 juli 2017 als gevolg van een CVA voor dat werk is uitgevallen. Tijdens zijn re-integratie bij appellante heeft betrokkene op 24 augustus 2018 opnieuw een CVA gekregen. Op 12 september 2018 heeft appellante een deskundigenoordeel aangevraagd. Op 24 oktober 2018 heef het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellante tot dan toe als voldoende beoordeeld. Betrokkene heeft op 16 april 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 10 juli 2019 heeft het Uwv het tijdvak waarin betrokkene tegenover appellante recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 10 juli 2020. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd omdat volgens het Uwv de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor deze tekortkoming. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 december 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Op 13 december 2019 heeft appellante het Uwv verzocht de loonsanctie te bekorten omdat – kort gezegd – betrokkene om medische redenen niet beschikbaar is voor re-integratie en er op 17 december 2019 een operatie plaatsvindt waarbij de hersteltijd naar verwachting zes weken zal bedragen. Bij besluit van 20 januari 2020 heeft het Uwv geweigerd het tijdvak van de verlengde loondoorbetalingsverplichting te bekorten. Bij besluit van 9 maart 2020 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 januari 2020 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de medische onderzoeken die aan de bestreden besluiten ten grondslag liggen zorgvuldig geweest.
De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv niet bij of krachtens de wet of enige andere regel gehouden is om advies aan de Loonsanctiecommissie (LLC) te vragen en evenmin om een werkgever daarover te informeren. De rechtbank heeft daarbij nog opgemerkt dat in beroep is gebleken dat de LLC in het geval van appellante is geraadpleegd en akkoord is gegaan met de voorgestelde loonsanctie. De rechtbank heeft verder overwogen dat de loonsanctie niet te laat is opgelegd. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat er re-integratiekansen zijn gemist en dat in januari 2019 een nieuwe analyse had moeten plaatsvinden van de beperkingen van betrokkene. Deze analyse is niet uitgevoerd. Als gevolg daarvan zijn de beperkingen van betrokkene onvoldoende in kaart gebracht. De loonsanctie is dan ook terecht opgelegd. Over het verzoek de loonsanctie te bekorten heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat uit de overgelegde medische informatie niet blijkt dat betrokkene een periode van drie maanden niet beschikbaar zou zijn om te re-integreren. De bekorting van de loonsanctie is dan ook terecht geweigerd.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat aan de loonsanctie geen zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt omdat in bezwaar door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is volstaan met dossierstudie. De loonsanctie is ten onrechte opgelegd omdat er geen re-integratiekansen zijn gemist. De klachten en beperkingen van betrokkene zijn na het tweede CVA in augustus 2018 alleen maar toegenomen, zodat de bedrijfsarts terecht een situatie van geen benutbare mogelijkheden heeft aangenomen. Appellante wijst erop dat na afloop van de verlengde wachttijd aan betrokkene een IVA-uitkering is toegekend, terwijl de klachten en beperkingen van betrokkene per einde wachttijd niet anders waren. Ook heeft appellante haar standpunten gehandhaafd dat de loonsanctie niet op de voorgeschreven wijze is voorgelegd aan de LLC en dat de loonsanctie te laat is opgelegd. Appellante heeft verder herhaald dat de loonsanctie ten onrechte niet is bekort, dat haar verzoek om bekorting ten onrechte zonder nader onderzoek op de stukken is afgewezen en dat ook in bezwaar ten onrechte volstaan is met dossierstudie. Verder zijn er volgens appellante ook hier geen re-integratiekansen gemist.
4.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad oordeelt als volgt.
5.1.1.
Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”
5.1.2.
In artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA, is bepaald dat indien de werkgever nadat een loonsanctie als bedoeld in het negende lid is gegeven, van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de reintegratieverplichtingen heeft hersteld, hij dit meldt aan het Uwv, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.
5.1.3.
Op grond van artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie inspanningen, die zijn verricht.
5.1.4.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, hierna: de Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werkneemster in redelijkheid konden komen tot de re-integratie inspanningen die zijn verricht. Daarnaast is de Werkwijzer Poortwachter (Werkwijzer) van belang, waarmee het Uwv aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht.
Loonsanctie
5.2.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het loonsanctiebesluit te laat, dat wil zeggen: niet uiterlijk op de laatste dag van de wachttijd, is verzonden. Uitgaande van een op 14 juli 2017 aangevangen wachttijd is het loonsanctiebesluit op 10 juli 2019 tijdig, dat wil zeggen: vóór het einde van de wachttijd, verzonden.
5.3.
Niet ter discussie staat dat de re-integratie-inspanningen van appellante niet tot een bevredigend re-integratieresultaat hebben geleid en dat daarom kon worden toegekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van appellante.
5.4.
Appellante heeft in hoger beroep volstaan met een herhaling van wat zij bij de rechtbank tegen bestreden besluit 1 heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die beroepsgronden besproken en terecht geoordeeld dat die niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daar het volgende aan toe.
5.5.
Van een onzorgvuldige besluitvorming zoals door appellante gesteld is geen sprake.
Conclusie
5.9.
Uit 5.2 tot en met 5.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.10.
Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijs het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2023.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Bijvoorbeeld de uitspraken van 20 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4864 en 10 juni 2015,
ECLI:NL:CRVB:2015:1940.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2726.