Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-06
ECLI:NL:CRVB:2023:1050
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,768 tokens
Inleiding
23/674 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 februari 2023, 22/2843 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)
Datum uitspraak: 6 juni 2023
Procesverloop
Met het besluit van 6 juli 2022 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 8 augustus 2022 heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 april 2023. Appellant is door middel van videobellen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. Wassens.
Overwegingen
Samenvatting
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college terecht het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens het college heeft appellant niet de gronden van het bezwaar ingediend. Appellant kan zich niet met dit besluit verenigen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 23 mei 2022 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van griffierecht van € 274,- voor een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). In een brief van 22 juni 2022 heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen en uit te leggen waarom de procedure bij de Afdeling noodzakelijk is. Appellant heeft daarop met brieven van 27 juni 2022 en 4 juli 2022 gereageerd.
1.2.
Met het besluit van 6 juli 2022 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.
1.3.
Op 12 juli 2022 heeft appellant tegen het besluit van 6 juli 2022 bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft in een brief van 18 juli 2022 appellant in de gelegenheid gesteld uit te leggen waarom hij bezwaar maakt omdat dit niet uit het bezwaarschrift kan worden opgemaakt. Hierop heeft appellant met brieven van 20 en 26 juli 2022 gereageerd.
1.4.
Het college heeft in een besluit van 8 augustus 2022 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant niet de gronden van het bezwaar had ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in bezwaar een groot aantal stukken en met de hand beschreven vellen papier heeft overgelegd. Deze bevatten, voor zover leesbaar, onder meer namen van personen, verwijzingen naar (overheids)instanties en (internationale) gebeurtenissen en hebben betrekking op maatschappelijke en persoonlijke problemen, zoals die door appellant worden ervaren. Appellant heeft niet uitgelegd wat de betekenis van de stukken is voor de bezwaarprocedure en uit deze informatie zijn geen concrete bezwaargronden tegen het besluit van 6 juli 2022 af te leiden. Dat betekent dat het bezwaarschrift niet voldeed aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan appellant is, in overeenstemming met artikel 6:6 van de Awb, de gelegenheid gegeven dit gebrek te herstellen. De stukken die appellant in reactie daarop heeft opgestuurd, maken echter niet duidelijk waarom hij het niet eens was met het besluit van 6 juli 2022. Daarom heeft het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Appellant voert, onder vermelding van namen van onder andere et i(oud-)politici, aan dat er maffia- en terrorismepraktijken tegen hem plaatsvinden en dat de rechter zelf grondig onderzoek moet doen voordat de rechter een besluit neemt. Appellant stelt dat zijn hoger beroep moet worden behandeld met als doel daders/opdrachtgevers/belanghebbenden strafrechtelijk te berechten en niet bestuursrechtelijk. Als daders wijst appellant diverse instanties aan.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat appellant niet de gronden van het bezwaar heeft ingediend. De Raad verenigt zich met de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel rust en verwijst daarnaar.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant in stand blijft en daarmee ook de afwijzing van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van F.C. Meershoek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2023.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) F.C. Meershoek
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 6:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht:
Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. e gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht:
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Inleiding
23/674 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 februari 2023, 22/2843 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)
Datum uitspraak: 6 juni 2023
Procesverloop
Met het besluit van 6 juli 2022 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 8 augustus 2022 heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 april 2023. Appellant is door middel van videobellen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. Wassens.
Overwegingen
Samenvatting
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college terecht het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens het college heeft appellant niet de gronden van het bezwaar ingediend. Appellant kan zich niet met dit besluit verenigen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 23 mei 2022 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van griffierecht van € 274,- voor een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). In een brief van 22 juni 2022 heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen en uit te leggen waarom de procedure bij de Afdeling noodzakelijk is. Appellant heeft daarop met brieven van 27 juni 2022 en 4 juli 2022 gereageerd.
1.2.
Met het besluit van 6 juli 2022 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.
1.3.
Op 12 juli 2022 heeft appellant tegen het besluit van 6 juli 2022 bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft in een brief van 18 juli 2022 appellant in de gelegenheid gesteld uit te leggen waarom hij bezwaar maakt omdat dit niet uit het bezwaarschrift kan worden opgemaakt. Hierop heeft appellant met brieven van 20 en 26 juli 2022 gereageerd.
1.4.
Het college heeft in een besluit van 8 augustus 2022 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant niet de gronden van het bezwaar had ingediend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in bezwaar een groot aantal stukken en met de hand beschreven vellen papier heeft overgelegd. Deze bevatten, voor zover leesbaar, onder meer namen van personen, verwijzingen naar (overheids)instanties en (internationale) gebeurtenissen en hebben betrekking op maatschappelijke en persoonlijke problemen, zoals die door appellant worden ervaren. Appellant heeft niet uitgelegd wat de betekenis van de stukken is voor de bezwaarprocedure en uit deze informatie zijn geen concrete bezwaargronden tegen het besluit van 6 juli 2022 af te leiden. Dat betekent dat het bezwaarschrift niet voldeed aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan appellant is, in overeenstemming met artikel 6:6 van de Awb, de gelegenheid gegeven dit gebrek te herstellen. De stukken die appellant in reactie daarop heeft opgestuurd, maken echter niet duidelijk waarom hij het niet eens was met het besluit van 6 juli 2022. Daarom heeft het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Appellant voert, onder vermelding van namen van onder andere et i(oud-)politici, aan dat er maffia- en terrorismepraktijken tegen hem plaatsvinden en dat de rechter zelf grondig onderzoek moet doen voordat de rechter een besluit neemt. Appellant stelt dat zijn hoger beroep moet worden behandeld met als doel daders/opdrachtgevers/belanghebbenden strafrechtelijk te berechten en niet bestuursrechtelijk. Als daders wijst appellant diverse instanties aan.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat appellant niet de gronden van het bezwaar heeft ingediend. De Raad verenigt zich met de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel rust en verwijst daarnaar.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant in stand blijft en daarmee ook de afwijzing van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van F.C. Meershoek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2023.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) F.C. Meershoek
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 6:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht:
Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. e gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht:
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.