Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-04-14
ECLI:NL:CRVB:2022:884
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,742 tokens
Inleiding
20 3676 WIA
Datum uitspraak: 14 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
15 september 2020, 19/5261 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S.G. Blasweiler, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 16 maart 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Blasweiler. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als automonteur voor 44,69 uur per week. Op 28 mei 2016 heeft hij zich ziek gemeld met fysieke en psychische klachten als gevolg van een auto-ongeval. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd en de aan de werkgever opgelegde – en op verzoek van de werkgever verkorte – loonsanctie heeft het Uwv bij besluit van 25 maart 2019 appellant met ingang van 19 maart 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is bepaald dat deze uitkering zal lopen tot en met 18 januari 2020 en de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.
1.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 maart 2019. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het Uwv hem een IVA-uitkering had moeten toekennen.
1.3.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de hoorzitting bijgewoond, aansluitend aan de hoorzitting onderzoek gedaan en kennis genomen van informatie van de behandelend sector. Op 21 augustus 2019 heeft hij op basis van de aldus verkregen informatie gerapporteerd en een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Met name heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de eerder wel aangenomen urenbeperking tot gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week vervangen door gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens met inachtneming van de aangepaste FML van 21 augustus 2019 drie functies geselecteerd en in zijn rapport van 28 augustus 2019 op basis van deze drie functies de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid daardoor wijzigt en de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 30,05%.
1.4.
Het Uwv heeft appellant vervolgens op 28 augustus 2019 op de hoogte gesteld van het voornemen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 19 maart 2019 te stellen op minder dan 35%, met dien verstande dat de loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt tot en met 18 januari 2020. Naar aanleiding van de reactie van appellant op dit voornemen hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op respectievelijk 23 oktober 2019 en 30 oktober 2019 aanvullend gerapporteerd. Zij hebben geen reden gezien om anders te concluderen dan in hun rapporten die aan het voornemen ten grondslag zijn gelegd.
1.5.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 1 november 2019 (bestreden besluit) vastgesteld dat appellant op 19 maart 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat de hoogte van de WGA-uitkering niet zal wijzigen tot en met 18 januari 2020. Per 18 januari 2020 zal een nieuwe beoordeling plaatsvinden.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van zorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank ziet geen grond om te twijfelen aan de deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft in beroep geen medische gegevens overgelegd die de rechtbank tot een ander oordeel brengen. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:32) overwogen dat het Uwv in de bezwaarfase tot verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant kon besluiten. Deze wijziging is eerst per toekomende datum geëffectueerd. Appellant is daardoor feitelijk niet in een nadeliger positie gekomen. De rechtbank heeft ten aanzien van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische grond heeft gezien om een urenbeperking aan te nemen. Hierdoor heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geschikte functies voor appellant kunnen duiden. Het gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage is inherent aan en in overeenstemming met het beoordelingssysteem in het kader van de Wet WIA. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat het Uwv hem verder beperkt ten aanzien van arbeid had moeten achten.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het voor hem onbegrijpelijk is dat bij besluit van 25 maart 2019 een WGA-uitkering wordt toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat dit arbeidsongeschiktheidspercentage bij dezelfde medische gegevens wordt bijgesteld naar minder dan 35%. Volgens appellant heeft het Uwv de discrepantie tussen de beoordelingen van de verzekeringsartsen over de aangenomen urenbeperking onvoldoende gemotiveerd. Voorts heeft appellant gesteld dat de verzekeringsartsen van het Uwv gelet op de psychosomatische klachten van appellant de deskundigheid missen om te beoordelen welke arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts is namelijk geen psycholoog of psychiater. Volgens appellant is daarom is een onafhankelijk medisch onderzoek van een specialist nodig. Hij heeft daarom verzocht een deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 19 maart 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35%.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en ter zitting nog nader heeft toegelicht zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
4.4.
Anders dan appellant heeft betoogd geeft het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de verzekeringsarts aangenomen urenbeperking van gemiddeld ongeveer 20 uur per week niet heeft overgenomen geen aanleiding om de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 21 augustus 2019 en van 23 oktober 2019 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat voor een urenbeperking van gemiddeld ongeveer 20 uur per week geen gronden meer aanwezig zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie heeft gebaseerd op de resultaten van het door hemzelf verrichte medisch onderzoek en op de door hem in bezwaar van de huisarts ontvangen informatie van 25 juli 2019 van de huisarts zelf en van GGZ-Altrecht van 11 september 2017 en 2 februari 2018, waarover de primaire arts niet beschikte. Ook wordt in aanmerking genomen de ter zitting namens het Uwv gegeven toelichting dat eerder in het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling de urenbeperking door de verzekeringsarts was gesteld op 10 uur per week in verband met recuperatiebehoefte en intensieve behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft gerapporteerd in die zaak heeft in haar rapport van 20 oktober 2017 geconcludeerd dat deze urenrestrictie eerder te fors dan te gering was bepaald omdat er geen sprake was van een sterk energetisch beperkende aandoening.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2022.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) R. van der Heide
Inleiding
20 3676 WIA
Datum uitspraak: 14 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
15 september 2020, 19/5261 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S.G. Blasweiler, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 16 maart 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Blasweiler. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als automonteur voor 44,69 uur per week. Op 28 mei 2016 heeft hij zich ziek gemeld met fysieke en psychische klachten als gevolg van een auto-ongeval. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd en de aan de werkgever opgelegde – en op verzoek van de werkgever verkorte – loonsanctie heeft het Uwv bij besluit van 25 maart 2019 appellant met ingang van 19 maart 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is bepaald dat deze uitkering zal lopen tot en met 18 januari 2020 en de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.
1.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 maart 2019. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het Uwv hem een IVA-uitkering had moeten toekennen.
1.3.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de hoorzitting bijgewoond, aansluitend aan de hoorzitting onderzoek gedaan en kennis genomen van informatie van de behandelend sector. Op 21 augustus 2019 heeft hij op basis van de aldus verkregen informatie gerapporteerd en een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Met name heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de eerder wel aangenomen urenbeperking tot gemiddeld ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week vervangen door gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens met inachtneming van de aangepaste FML van 21 augustus 2019 drie functies geselecteerd en in zijn rapport van 28 augustus 2019 op basis van deze drie functies de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid daardoor wijzigt en de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 30,05%.
1.4.
Het Uwv heeft appellant vervolgens op 28 augustus 2019 op de hoogte gesteld van het voornemen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 19 maart 2019 te stellen op minder dan 35%, met dien verstande dat de loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt tot en met 18 januari 2020. Naar aanleiding van de reactie van appellant op dit voornemen hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op respectievelijk 23 oktober 2019 en 30 oktober 2019 aanvullend gerapporteerd. Zij hebben geen reden gezien om anders te concluderen dan in hun rapporten die aan het voornemen ten grondslag zijn gelegd.
1.5.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 1 november 2019 (bestreden besluit) vastgesteld dat appellant op 19 maart 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat de hoogte van de WGA-uitkering niet zal wijzigen tot en met 18 januari 2020. Per 18 januari 2020 zal een nieuwe beoordeling plaatsvinden.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van zorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank ziet geen grond om te twijfelen aan de deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft in beroep geen medische gegevens overgelegd die de rechtbank tot een ander oordeel brengen. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:32) overwogen dat het Uwv in de bezwaarfase tot verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant kon besluiten. Deze wijziging is eerst per toekomende datum geëffectueerd. Appellant is daardoor feitelijk niet in een nadeliger positie gekomen. De rechtbank heeft ten aanzien van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische grond heeft gezien om een urenbeperking aan te nemen. Hierdoor heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geschikte functies voor appellant kunnen duiden. Het gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage is inherent aan en in overeenstemming met het beoordelingssysteem in het kader van de Wet WIA. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat het Uwv hem verder beperkt ten aanzien van arbeid had moeten achten.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het voor hem onbegrijpelijk is dat bij besluit van 25 maart 2019 een WGA-uitkering wordt toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat dit arbeidsongeschiktheidspercentage bij dezelfde medische gegevens wordt bijgesteld naar minder dan 35%. Volgens appellant heeft het Uwv de discrepantie tussen de beoordelingen van de verzekeringsartsen over de aangenomen urenbeperking onvoldoende gemotiveerd. Voorts heeft appellant gesteld dat de verzekeringsartsen van het Uwv gelet op de psychosomatische klachten van appellant de deskundigheid missen om te beoordelen welke arbeidsbeperkingen moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts is namelijk geen psycholoog of psychiater. Volgens appellant is daarom is een onafhankelijk medisch onderzoek van een specialist nodig. Hij heeft daarom verzocht een deskundige te benoemen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 19 maart 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35%.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en ter zitting nog nader heeft toegelicht zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
4.4.
Anders dan appellant heeft betoogd geeft het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door de verzekeringsarts aangenomen urenbeperking van gemiddeld ongeveer 20 uur per week niet heeft overgenomen geen aanleiding om de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 21 augustus 2019 en van 23 oktober 2019 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat voor een urenbeperking van gemiddeld ongeveer 20 uur per week geen gronden meer aanwezig zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie heeft gebaseerd op de resultaten van het door hemzelf verrichte medisch onderzoek en op de door hem in bezwaar van de huisarts ontvangen informatie van 25 juli 2019 van de huisarts zelf en van GGZ-Altrecht van 11 september 2017 en 2 februari 2018, waarover de primaire arts niet beschikte. Ook wordt in aanmerking genomen de ter zitting namens het Uwv gegeven toelichting dat eerder in het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling de urenbeperking door de verzekeringsarts was gesteld op 10 uur per week in verband met recuperatiebehoefte en intensieve behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft gerapporteerd in die zaak heeft in haar rapport van 20 oktober 2017 geconcludeerd dat deze urenrestrictie eerder te fors dan te gering was bepaald omdat er geen sprake was van een sterk energetisch beperkende aandoening.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2022.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) R. van der Heide