Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-02-17
ECLI:NL:CRVB:2022:310
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
4,798 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 17 februari 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2020, 19/2738 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.W.C. van Kleef hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. L.S. van Loon, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kleef. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.J. Rutten, advocaat, en dr. N.A.C. Schilder.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017(AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die voor 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellante was werkzaam als [functie] bij de [Dienst]
van de provincie Noord-Brabant. Op 10 september 2018 heeft appellante zich ziek gemeld. Op 13 september 2018 heeft de bedrijfsarts appellante 100% arbeidsgeschikt geacht. Wel heeft hij vastgesteld dat sprake is van verstoorde verhoudingen en geadviseerd om mediation in te zetten. Appellante is vervolgens hersteld gemeld, waarbij zij is vrijgesteld van werkzaamheden. In deze periode is een mediationtraject gestart. In oktober 2018 is de mediation zonder resultaat afgesloten. Hierop is appellante bij brief van 31 oktober 2018 uitgenodigd voor een gesprek op 6 november 2018 om gezamenlijk de mogelijkheden voor vervolgstappen te onderzoeken en te bespreken.
1.3.
Bij brief van 23 november 2018 heeft de directeur-secretaris van de [Dienst] de voorwaarden opgesomd voor een terugkeer van appellante. Hierna heeft correspondentie plaatsgevonden tussen partijen, waaronder een verzoek van 6 december 2018 van het college aan appellante om het werk te hervatten op 13 december 2018.
1.4.
Op 6 december 2018 heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld. Op 12 december 2018 heeft de bedrijfsarts appellante 100% arbeidsgeschikt geacht. Hij heeft daarbij opnieuw vastgesteld dat sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen, maar dat geen sprake is van ziekte of gebrek. Hij heeft verder vastgesteld dat de situatie dusdanig is geëscaleerd dat er een onwerkbare situatie is ontstaan. Een daadwerkelijke werkhervatting in een ongewijzigde situatie, zonder oplossing van het conflict, is volgens de bedrijfsarts niet reëel haalbaar en niet bevorderlijk voor de gezondheid en het welbevinden van appellante. Vervolgens heeft op 10 januari 2019 een gesprek plaatsgevonden over mediation of een mogelijke minnelijke regeling, waarbij de gemachtigde van appellante aanwezig was. Geconcludeerd is dat mediation vooralsnog geen optie is en dat een minnelijke regeling de voorkeur heeft, waarbij een termijn tot 1 februari 2019 is gesteld om overeenstemming te bereiken over de contouren daarvan en appellante in de gelegenheid is gesteld om uiterlijk op 17 januari 2019 een standpunt in te nemen over een door het college aangeboden minnelijke regeling.
1.5.
Bij brief van 18 januari 2019 heeft de directeur-secretaris aan appellante medegedeeld dat zij desgevraagd extra bedenktijd krijgt tot 21 januari 2019 om tot een standpunt te komen. Omdat er nog geen akkoord is, wordt appellante verzocht zich op 21 januari 2019 om 10.00 uur te melden op het [locatie] om een gesprek te voeren over werkhervatting met een P&O-adviseur en het verrichten van de eerste werkzaamheden op het [locatie]. Appellante heeft hierop gereageerd en heeft zich onder verwijzing naar het advies van de bedrijfsarts op het standpunt gesteld dat werkhervatting zonder oplossing van het conflict geen reële optie is. Gelet hierop heeft zij verzocht om alsnog mediation in te zetten. Het college heeft de oproep bij e-mailbericht van 21 januari 2019 herhaald, onder verwijzing naar een bericht van de bedrijfsarts van eveneens 21 januari 2019. In dit bericht stelt de bedrijfsarts dat de passage over werkhervatting ziet op een hervatting bij de [Dienst]. Betrokkene heeft wel benutbare mogelijkheden voor arbeid in een andere context waarbij zij niet wordt geconfronteerd met de conflictsituatie. Appellante is er in het e-mailbericht van 21 januari 2019 op gewezen dat het volharden in de weigering om op het [locatie] werkzaamheden te verrichten, zal worden aangemerkt als plichtsverzuim en dat een disciplinaire straf zal worden opgelegd, waarbij ontslag niet is uitgesloten.
1.6.
Bij brief van 23 januari 2019 heeft de directeur-secretaris appellante laten weten dat, nu een (inhoudelijke) reactie op de aangeboden minnelijke regeling is uitgebleven, nog een laatste gelegenheid wordt geboden om te reageren tot 25 januari 2019 om 12.00 uur. Verder is vastgesteld dat appellante op 22 januari 2019 weliswaar alsnog is verschenen op het [locatie], maar dat zij zich na een uur per Whatsapp heeft ziekgemeld en is vertrokken. Door deze gang van zaken wekt appellante de indruk dat zij niet de intentie heeft gehad om te werken maar enkel is verschenen ter voorkoming van rechtspositionele gevolgen van werkweigering. De bedrijfsarts heeft op 24 januari 2019 geconcludeerd dat zijn advies van 12 december 2018 nog actueel is. Appellante is voor de contracturen inzetbaar voor passende arbeid (buiten de conflictsituatie) in afwachting van een oplossing van het conflict. Bij brief van 25 januari 2019 heeft appellante medegedeeld dat het college kennelijk niet meer wil onderhandelen over een minnelijke regeling en dat zij nogmaals verzoekt om het inzetten van mediation. Hierbij heeft zij zich bereid verklaard om tijdelijk werkzaamheden te verrichten bij de provincie.
1.7.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft in een door appellante aangevraagd deskundigenoordeel uitgesproken dat appellante op 6 december 2018 geschikt was voor haar eigen werk.
1.8.
Bij besluit van 28 januari 2019 heeft het college de bezoldiging van appellante met ingang van 21 januari 2019 gestaakt totdat zij gehoor geeft aan het verzoek tot werkhervatting. Hierbij is appellante opgeroepen om zich op 29 januari 2019 om 9.00 uur te melden op het [locatie] voor het verrichten van werkzaamheden. Hierbij is zij er op gewezen dat niet verschijnen zal worden aangemerkt als plichtsverzuim en dat in dat geval een disciplinaire straf zal worden opgelegd waarbij appellante rekening dient te houden met ontslag. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.9.
Bij brief van 31 januari 2019 heeft het college appellante opgeroepen om zich op 4 februari 2019 om 9.00 uur te melden voor een gesprek over werkhervatting. Appellante heeft schriftelijk laten weten niet in staat te zijn het gesprek aan te gaan. Bij brief van 5 februari 2019 heeft het college appellante voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om zich op 6 februari 2019 om 9.30 uur te melden voor een gesprek over werkhervatting. Hierbij is appellante gewezen op de mogelijkheid van een disciplinaire straf bij niet verschijnen of geen medewerking verlenen. Appellante heeft schriftelijk laten weten niet op de uitnodiging in te kunnen gaan.
1.10.
Bij brief van 6 februari 2019 heeft het college appellante in kennis gesteld van het voornemen haar onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen. In verband met het voornemen heeft het college appellante geschorst onder inhouding van het salaris op grond van artikel 10.2, eerste lid van de CAP 2018. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Op het voornemen tot ontslag heeft appellante haar zienswijze gegeven.
1.11.
Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college appellante met ingang van 2 april 2019 ontslag verleend bij wijze van disciplinaire straf op grond van artikel 10.3, eerste lid en onder d en artikel 11.1.1 onder m van de CAP 2018. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim gelegen in werkweigering dan wel de weigering medewerking te verlenen aan re-integratie in passend werk. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.12.
Bij besluit van 10 september 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 28 januari 2019, 6 februari 2019 en 2 april 2019 ongegrond verklaard.
2.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van M. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2022.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M. van Donk
Inleiding
Datum uitspraak: 17 februari 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2020, 19/2738 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.W.C. van Kleef hoger beroep ingesteld.
Namens het college heeft mr. L.S. van Loon, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kleef. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.J. Rutten, advocaat, en dr. N.A.C. Schilder.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017(AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die voor 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.2.
Appellante was werkzaam als [functie] bij de [Dienst]
van de provincie Noord-Brabant. Op 10 september 2018 heeft appellante zich ziek gemeld. Op 13 september 2018 heeft de bedrijfsarts appellante 100% arbeidsgeschikt geacht. Wel heeft hij vastgesteld dat sprake is van verstoorde verhoudingen en geadviseerd om mediation in te zetten. Appellante is vervolgens hersteld gemeld, waarbij zij is vrijgesteld van werkzaamheden. In deze periode is een mediationtraject gestart. In oktober 2018 is de mediation zonder resultaat afgesloten. Hierop is appellante bij brief van 31 oktober 2018 uitgenodigd voor een gesprek op 6 november 2018 om gezamenlijk de mogelijkheden voor vervolgstappen te onderzoeken en te bespreken.
1.3.
Bij brief van 23 november 2018 heeft de directeur-secretaris van de [Dienst] de voorwaarden opgesomd voor een terugkeer van appellante. Hierna heeft correspondentie plaatsgevonden tussen partijen, waaronder een verzoek van 6 december 2018 van het college aan appellante om het werk te hervatten op 13 december 2018.
1.4.
Op 6 december 2018 heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld. Op 12 december 2018 heeft de bedrijfsarts appellante 100% arbeidsgeschikt geacht. Hij heeft daarbij opnieuw vastgesteld dat sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen, maar dat geen sprake is van ziekte of gebrek. Hij heeft verder vastgesteld dat de situatie dusdanig is geëscaleerd dat er een onwerkbare situatie is ontstaan. Een daadwerkelijke werkhervatting in een ongewijzigde situatie, zonder oplossing van het conflict, is volgens de bedrijfsarts niet reëel haalbaar en niet bevorderlijk voor de gezondheid en het welbevinden van appellante. Vervolgens heeft op 10 januari 2019 een gesprek plaatsgevonden over mediation of een mogelijke minnelijke regeling, waarbij de gemachtigde van appellante aanwezig was. Geconcludeerd is dat mediation vooralsnog geen optie is en dat een minnelijke regeling de voorkeur heeft, waarbij een termijn tot 1 februari 2019 is gesteld om overeenstemming te bereiken over de contouren daarvan en appellante in de gelegenheid is gesteld om uiterlijk op 17 januari 2019 een standpunt in te nemen over een door het college aangeboden minnelijke regeling.
1.5.
Bij brief van 18 januari 2019 heeft de directeur-secretaris aan appellante medegedeeld dat zij desgevraagd extra bedenktijd krijgt tot 21 januari 2019 om tot een standpunt te komen. Omdat er nog geen akkoord is, wordt appellante verzocht zich op 21 januari 2019 om 10.00 uur te melden op het [locatie] om een gesprek te voeren over werkhervatting met een P&O-adviseur en het verrichten van de eerste werkzaamheden op het [locatie]. Appellante heeft hierop gereageerd en heeft zich onder verwijzing naar het advies van de bedrijfsarts op het standpunt gesteld dat werkhervatting zonder oplossing van het conflict geen reële optie is. Gelet hierop heeft zij verzocht om alsnog mediation in te zetten. Het college heeft de oproep bij e-mailbericht van 21 januari 2019 herhaald, onder verwijzing naar een bericht van de bedrijfsarts van eveneens 21 januari 2019. In dit bericht stelt de bedrijfsarts dat de passage over werkhervatting ziet op een hervatting bij de [Dienst]. Betrokkene heeft wel benutbare mogelijkheden voor arbeid in een andere context waarbij zij niet wordt geconfronteerd met de conflictsituatie. Appellante is er in het e-mailbericht van 21 januari 2019 op gewezen dat het volharden in de weigering om op het [locatie] werkzaamheden te verrichten, zal worden aangemerkt als plichtsverzuim en dat een disciplinaire straf zal worden opgelegd, waarbij ontslag niet is uitgesloten.
1.6.
Bij brief van 23 januari 2019 heeft de directeur-secretaris appellante laten weten dat, nu een (inhoudelijke) reactie op de aangeboden minnelijke regeling is uitgebleven, nog een laatste gelegenheid wordt geboden om te reageren tot 25 januari 2019 om 12.00 uur. Verder is vastgesteld dat appellante op 22 januari 2019 weliswaar alsnog is verschenen op het [locatie], maar dat zij zich na een uur per Whatsapp heeft ziekgemeld en is vertrokken. Door deze gang van zaken wekt appellante de indruk dat zij niet de intentie heeft gehad om te werken maar enkel is verschenen ter voorkoming van rechtspositionele gevolgen van werkweigering. De bedrijfsarts heeft op 24 januari 2019 geconcludeerd dat zijn advies van 12 december 2018 nog actueel is. Appellante is voor de contracturen inzetbaar voor passende arbeid (buiten de conflictsituatie) in afwachting van een oplossing van het conflict. Bij brief van 25 januari 2019 heeft appellante medegedeeld dat het college kennelijk niet meer wil onderhandelen over een minnelijke regeling en dat zij nogmaals verzoekt om het inzetten van mediation. Hierbij heeft zij zich bereid verklaard om tijdelijk werkzaamheden te verrichten bij de provincie.
1.7.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft in een door appellante aangevraagd deskundigenoordeel uitgesproken dat appellante op 6 december 2018 geschikt was voor haar eigen werk.
1.8.
Bij besluit van 28 januari 2019 heeft het college de bezoldiging van appellante met ingang van 21 januari 2019 gestaakt totdat zij gehoor geeft aan het verzoek tot werkhervatting. Hierbij is appellante opgeroepen om zich op 29 januari 2019 om 9.00 uur te melden op het [locatie] voor het verrichten van werkzaamheden. Hierbij is zij er op gewezen dat niet verschijnen zal worden aangemerkt als plichtsverzuim en dat in dat geval een disciplinaire straf zal worden opgelegd waarbij appellante rekening dient te houden met ontslag. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.9.
Bij brief van 31 januari 2019 heeft het college appellante opgeroepen om zich op 4 februari 2019 om 9.00 uur te melden voor een gesprek over werkhervatting. Appellante heeft schriftelijk laten weten niet in staat te zijn het gesprek aan te gaan. Bij brief van 5 februari 2019 heeft het college appellante voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om zich op 6 februari 2019 om 9.30 uur te melden voor een gesprek over werkhervatting. Hierbij is appellante gewezen op de mogelijkheid van een disciplinaire straf bij niet verschijnen of geen medewerking verlenen. Appellante heeft schriftelijk laten weten niet op de uitnodiging in te kunnen gaan.
1.10.
Bij brief van 6 februari 2019 heeft het college appellante in kennis gesteld van het voornemen haar onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen. In verband met het voornemen heeft het college appellante geschorst onder inhouding van het salaris op grond van artikel 10.2, eerste lid van de CAP 2018. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Op het voornemen tot ontslag heeft appellante haar zienswijze gegeven.
1.11.
Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college appellante met ingang van 2 april 2019 ontslag verleend bij wijze van disciplinaire straf op grond van artikel 10.3, eerste lid en onder d en artikel 11.1.1 onder m van de CAP 2018. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim gelegen in werkweigering dan wel de weigering medewerking te verlenen aan re-integratie in passend werk. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.12.
Bij besluit van 10 september 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 28 januari 2019, 6 februari 2019 en 2 april 2019 ongegrond verklaard.
2.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van M. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2022.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M. van Donk