Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-12-13
ECLI:NL:CRVB:2022:2709
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,662 tokens
Inleiding
21 1370 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 maart 2021, 19/5528 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 13 december 2022
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Koenhen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant stond van 26 april 2010 tot 20 februari 2019 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op adres Y in [plaatsnaam] (gemeente Zaanstad). De woning van appellant op adres Y is door de burgemeester op grond van de Opiumwet per 7 december 2018 gesloten voor een periode van drie maanden. Appellant heeft van 8 oktober 2018 tot en met 4 januari 2019 in voorlopige hechtenis doorgebracht. Op 8 januari 2019 heeft appellant bij het college gemeld dat hij nog op adres Y woonde, maar hier feitelijk niet meer kon verblijven, dat de huurovereenkomst nog niet was opgezegd en dat hij de huur nog betaalde. Het huurcontract is per maart 2019 door de verhuurder beëindigd.
1.2.
Appellant heeft in de periode van 20 februari 2019 tot 16 mei 2019 in de BRP met een briefadres ingeschreven gestaan op adres X te [plaatsnaam]. Appellant is per 16 mei 2019 uitgeschreven uit de BRP naar adres onbekend. Appellant heeft op 24 juni 2019 verzocht om verlenging van het briefadres. Het college heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft deze afwijzing onderschreven en appellant heeft vervolgens bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
1.3.
Appellant heeft zich op 14 maart 2019 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Hij heeft op 9 mei 2019 bijstand aangevraagd. Hij heeft daarbij het briefadres als inschrijfadres vermeld. Appellant heeft vermeld dat zijn verblijfadres niet gelijk is aan zijn briefadres. In het kader van deze aanvraag om bijstand heeft appellant, onder meer, afschriften van zijn bankrekening over de periode 2 februari 2019 tot en met 30 april 2019 en een deels ingevuld 10-dagenformulier overgelegd. Op 24 mei 2019 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden.
1.4.
Bij besluit van 6 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn woonplaats binnen de gemeente heeft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 14 maart 2019 tot en met 6 juni 2019.
4.2.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich al op 4 januari 2019 heeft gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Deze stelling vindt geen steun in de stukken. Dat appellant dit niet kan aantonen komt voor zijn rekening en risico.
4.3.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode zijn woonplaats (nog) heeft gehad in [plaatsnaam]. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.
4.5.
In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, dat wil zeggen daar waar hij daadwerkelijk woont, en bij gebreke van een woonstede, ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560). Onder woonstede wordt een woning verstaan. De woonstede van een betrokkene is dan daar waar zijn hoofdverblijf is.
4.6.
Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, is dan ook uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, waar hij werkelijk verblijft. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Dit is eerder overwogen (uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038). Geen doorslaggevende betekenis komt toe aan de inschrijving in het BRP. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432).
4.7.
Appellant heeft aangevoerd dat de woning op adres Y als zijn adres waar hij daadwerkelijk woont kan worden aangemerkt. Er was volgens appellant namelijk sprake van een wijziging in zijn woonsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter. Appellant heeft steeds de intentie gehad om terug te keren naar zijn woning op adres Y. Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat appellant sinds 7 december 2018 feitelijk geen toegang meer had tot de woning op adres Y. Dat was eerst vanwege de woningsluiting en daarna vanwege de ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder, waarna de woning per juli 2019 is verhuurd aan een nieuwe huurder. Daarom was de woning op adres Y niet meer aan te merken als de woning van appellant. Hieraan kan de intentie van appellant om terug te keren naar de woning op adres Y niet af doen. Anders dan appellant heeft aangevoerd, brengt ook de omstandigheid dat hij gedurende een deel van de te beoordelen periode beschikte over een briefadres in de gemeente Zaanstad niet met zich dat hij in die periode zijn hoofdverblijf in de gemeente Zaanstad had. Hiertoe is van belang dat adres X, het adres waar appellant zijn briefadres had, niet het adres was waar hij daadwerkelijk woonde.
4.8.
Uit 4.7 volgt dat appellant geen hoofdverblijf binnen de gemeente Zaanstad had. Bepalend is daarom slechts waar appellant werkelijk verbleef.
4.9.
De vraag die dan voorligt, is of het werkelijk verblijf van appellant zich in de te beoordelen periode in de gemeente Zaanstad bevond.
4.10.
Nadat appellant uit de voorlopige hechtenis kwam op 4 januari 2019 heeft hij op een camping op de Veluwe verbleven en bij zijn moeder en zijn vriendin (A) die beiden in Amsterdam wonen. Tijdens het gesprek op 24 mei 2019 in het kader van de bijstandsaanvraag heeft appellant verklaard dat zijn persoonlijke spullen en zijn administratie in de woning van A liggen en zijn kleding deels bij zijn vriendin, deels bij zijn moeder en deels bij zijn neef, die ook in Amsterdam woont. Verder heeft appellant in het gesprek van 24 mei 2019 te kennen gegeven dat het niet zeker is waar hij de komende week verblijft. Waarschijnlijk is hij bij zijn moeder in Amsterdam en bij A in Amsterdam. Mogelijk kan hij bij een vriend verblijven. Zijn administratie, persoonlijke verzorgingspullen en een tas met slaapapneu spullen liggen bij A. Uit het door appellant overgelegde 10-dagenformulier, gedateerd op 23 mei 2019, blijkt dat hij in de periode van 14 mei 2019 tot en met 23 mei 2019 in Amsterdam heeft verbleven.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2022.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) L.C. van Bentum
Inleiding
21 1370 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 maart 2021, 19/5528 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 13 december 2022
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Koenhen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant stond van 26 april 2010 tot 20 februari 2019 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op adres Y in [plaatsnaam] (gemeente Zaanstad). De woning van appellant op adres Y is door de burgemeester op grond van de Opiumwet per 7 december 2018 gesloten voor een periode van drie maanden. Appellant heeft van 8 oktober 2018 tot en met 4 januari 2019 in voorlopige hechtenis doorgebracht. Op 8 januari 2019 heeft appellant bij het college gemeld dat hij nog op adres Y woonde, maar hier feitelijk niet meer kon verblijven, dat de huurovereenkomst nog niet was opgezegd en dat hij de huur nog betaalde. Het huurcontract is per maart 2019 door de verhuurder beëindigd.
1.2.
Appellant heeft in de periode van 20 februari 2019 tot 16 mei 2019 in de BRP met een briefadres ingeschreven gestaan op adres X te [plaatsnaam]. Appellant is per 16 mei 2019 uitgeschreven uit de BRP naar adres onbekend. Appellant heeft op 24 juni 2019 verzocht om verlenging van het briefadres. Het college heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft deze afwijzing onderschreven en appellant heeft vervolgens bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
1.3.
Appellant heeft zich op 14 maart 2019 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Hij heeft op 9 mei 2019 bijstand aangevraagd. Hij heeft daarbij het briefadres als inschrijfadres vermeld. Appellant heeft vermeld dat zijn verblijfadres niet gelijk is aan zijn briefadres. In het kader van deze aanvraag om bijstand heeft appellant, onder meer, afschriften van zijn bankrekening over de periode 2 februari 2019 tot en met 30 april 2019 en een deels ingevuld 10-dagenformulier overgelegd. Op 24 mei 2019 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden.
1.4.
Bij besluit van 6 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn woonplaats binnen de gemeente heeft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 14 maart 2019 tot en met 6 juni 2019.
4.2.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich al op 4 januari 2019 heeft gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Deze stelling vindt geen steun in de stukken. Dat appellant dit niet kan aantonen komt voor zijn rekening en risico.
4.3.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode zijn woonplaats (nog) heeft gehad in [plaatsnaam]. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.
4.5.
In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, dat wil zeggen daar waar hij daadwerkelijk woont, en bij gebreke van een woonstede, ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560). Onder woonstede wordt een woning verstaan. De woonstede van een betrokkene is dan daar waar zijn hoofdverblijf is.
4.6.
Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW is, is dan ook uitsluitend bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft en, als geen hoofdverblijf is aan te wijzen, waar hij werkelijk verblijft. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Dit is eerder overwogen (uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038). Geen doorslaggevende betekenis komt toe aan de inschrijving in het BRP. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432).
4.7.
Appellant heeft aangevoerd dat de woning op adres Y als zijn adres waar hij daadwerkelijk woont kan worden aangemerkt. Er was volgens appellant namelijk sprake van een wijziging in zijn woonsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter. Appellant heeft steeds de intentie gehad om terug te keren naar zijn woning op adres Y. Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat appellant sinds 7 december 2018 feitelijk geen toegang meer had tot de woning op adres Y. Dat was eerst vanwege de woningsluiting en daarna vanwege de ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder, waarna de woning per juli 2019 is verhuurd aan een nieuwe huurder. Daarom was de woning op adres Y niet meer aan te merken als de woning van appellant. Hieraan kan de intentie van appellant om terug te keren naar de woning op adres Y niet af doen. Anders dan appellant heeft aangevoerd, brengt ook de omstandigheid dat hij gedurende een deel van de te beoordelen periode beschikte over een briefadres in de gemeente Zaanstad niet met zich dat hij in die periode zijn hoofdverblijf in de gemeente Zaanstad had. Hiertoe is van belang dat adres X, het adres waar appellant zijn briefadres had, niet het adres was waar hij daadwerkelijk woonde.
4.8.
Uit 4.7 volgt dat appellant geen hoofdverblijf binnen de gemeente Zaanstad had. Bepalend is daarom slechts waar appellant werkelijk verbleef.
4.9.
De vraag die dan voorligt, is of het werkelijk verblijf van appellant zich in de te beoordelen periode in de gemeente Zaanstad bevond.
4.10.
Nadat appellant uit de voorlopige hechtenis kwam op 4 januari 2019 heeft hij op een camping op de Veluwe verbleven en bij zijn moeder en zijn vriendin (A) die beiden in Amsterdam wonen. Tijdens het gesprek op 24 mei 2019 in het kader van de bijstandsaanvraag heeft appellant verklaard dat zijn persoonlijke spullen en zijn administratie in de woning van A liggen en zijn kleding deels bij zijn vriendin, deels bij zijn moeder en deels bij zijn neef, die ook in Amsterdam woont. Verder heeft appellant in het gesprek van 24 mei 2019 te kennen gegeven dat het niet zeker is waar hij de komende week verblijft. Waarschijnlijk is hij bij zijn moeder in Amsterdam en bij A in Amsterdam. Mogelijk kan hij bij een vriend verblijven. Zijn administratie, persoonlijke verzorgingspullen en een tas met slaapapneu spullen liggen bij A. Uit het door appellant overgelegde 10-dagenformulier, gedateerd op 23 mei 2019, blijkt dat hij in de periode van 14 mei 2019 tot en met 23 mei 2019 in Amsterdam heeft verbleven.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2022.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) L.C. van Bentum