Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-01-28
ECLI:NL:CRVB:2022:266
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,409 tokens
Inleiding
20954 AOW
Datum uitspraak: 28 januari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2020, 19/413 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2021. Namens appellant is mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.
Overwegingen
1.1.
Appellant heeft van 1 januari 2007 tot en met 28 oktober 2007 (de periode in geding) als rijnvarende gewerkt aan boord van [schip] , dat eigendom is van [Naam B.V. 1] BV te [vestigingsplaats] . Appellant stond toen op de loonlijst van [X] te Luxemburg ( [X] ).
1.2.
Bij besluit van 26 juli 2018 heeft de Svb vastgesteld dat over de periode in geding op appellant alleen de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Geweigerd is om over die periode mee te werken aan een regularisatieovereenkomst die ertoe leidt dat op appellant alleen de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing wordt geacht. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit informatie van het Luxemburgse orgaan is gebleken dat voor appellant over de betreffende periode geen premies zijn afgedragen in Luxemburg.
1.3.
Tegen het besluit van 26 juli 2018 heeft appellant bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van 17 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 11 en artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verder is afwijzend beslist op een door appellant in de beroepsfase ingediend verzoek om schadevergoeding.
3.1.
Appellant heeft gesteld dat over de periode in geding op hem de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. In dit verband is – evenals in beroep – verwezen naar een Certificat d’Exploitant van 25 augustus 2006, waarop [X] is aangeduid als de exploitant van de [Naam B.V. 1] . Subsidiair is herhaald dat de Svb ten onrechte weigert om toepassing te geven aan artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. Daarbij is in hoofdzaak betoogd dat het Luxemburgse orgaan appellant over de periode in geding heeft uitgeschreven als verzekerde in vervolg op onwelwillende correspondentie van de Svb waarover appellant destijds niet is geïnformeerd. Verder heeft appellant onder meer gewezen op de complexiteit van de materie, eraan herinnerd dat in het verleden in vergelijkbare situaties wel is geregulariseerd, en te kennen gegeven dat hij om regularisatie te bevorderen heeft afgezien van het voortzetten van procedures in de fiscale kolom. Tot slot heeft appellant zich – opnieuw – op het standpunt gesteld dat indien niet wordt beslist dat op hem over de periode in geding de Luxemburgse wetgeving van toepassing is of wordt geacht, de Svb gehouden is om door hem geleden schade te vergoeden. Daarbij is er onder meer aan herinnerd dat [X] in 2014 failliet is gegaan.
3.2.
De Svb heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Omdat uit informatie van het Luxemburgse orgaan is gebleken dat over de periode in geding voor appellant in Luxemburg geen premies zijn afgedragen, is de Svb, alles afwegende, niet bereid om over deze periode ten behoeve van appellant mee te werken aan een regularisatieovereenkomst. Bij brief van 10 december 2021 heeft de Svb nog herinnerd aan punt 4.4.1 van de uitspraak van de Raad van 22 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3824. Daarbij zijn nadere stukken overgelegd waaruit valt af te leiden dat appellant de enige aandeelhouder is van [Naam B.V. 2] BV en dat [Naam B.V. 2] BV 44% bezit van de aandelen van [Naam B.V. 1] BV. De overige aandelen van [Naam B.V. 1] BV zijn in het bezit van twee BV’s, waarvan een broer en de moeder van appellant de enige aandeelhouders zijn. In die omstandigheden moet het volgens de Svb voor appellant op zijn minst redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat er sprake was van een constructie om premieheffing krachtens de Nederlandse socialezekerheidswetgeving te vermijden. Weersproken is dat er sprake is geweest van onwelwillende correspondentie van de Svb. Voor zover [X] op het brutoloon van appellant over de periode in geding premies heeft ingehouden die niet zijn afgedragen, betwist de Svb aansprakelijk te zijn voor de schade die appellant daardoor mogelijk geleden heeft.
3.3.
Ter zitting heeft appellant betoogd dat de Svb de stukken die bij brief van 10 december 2021 zijn overgelegd onnodig laat heeft ingediend en dat de Raad deze om die reden volledig buiten beschouwing zou moeten laten. Voor het geval dat de Raad de betreffende stukken niet volledig buiten beschouwing laat, is erop gewezen dat appellant geen directeur en enig aandeelhouder is van [Naam B.V. 1] BV, aangezien appellant via [Naam B.V. 2] BV slechts 44% van de aandelen van [Naam B.V. 1] BV in handen heeft.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Tussen partijen is allereerst in geschil of de Svb al dan niet terecht heeft vastgesteld dat op appellant over de periode in geding ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. De Raad sluit zich aan bij de beoordeling van de rechtbank hierover. Wat appellant in dit verband in hoger beroep heeft aangevoerd, is in wezen een blote herhaling van wat eerder in bezwaar en beroep is aangevoerd. Een onderbouwing met nadere feitelijke gegevens heeft appellant achterwege gelaten. De Raad is van oordeel dat noch in bezwaar, noch in beroep, noch in hoger beroep aannemelijk is geworden dat [X] te Luxemburg en niet [Naam B.V. 1] BV te [vestigingsplaats] is aan te merken als de exploitant van het schip waarop appellant in de periode in geding werkte als rijnvarende.
4.1.2.
Punt 4.1.1 leidt tot de conclusie dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat op appellant over de periode in geding ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is.
4.2.1.
Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag op grond van een regularisatieovereenkomst in bepaalde gevallen niet worden toegepast. Het gaat hierbij om een discretionaire bevoegdheid waarin de bevoegdheid om afwijzend te beslissen besloten is.
4.2.2.
In zijn uitspraak van 28 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2634, heeft de Raad onder 3.1 de wijze waarop de Svb volgens zijn verklaring meewerkt aan toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag als volgt samengevat:
“De Svb maakt uitsluitend gebruik van de in artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag gegeven bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken, indien vaststaat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dit betekent niet dat de Svb desgevraagd altijd een regularisatieprocedure start indien vaststaat dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat. Dat gebeurt alleen indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden. Wat in dit verband voldoende is, is niet alomvattend nader gedefinieerd. Het Rijnvarendenverdrag voorziet er niet in dat (werkgevers van) Rijnvarenden naar eigen believen kunnen bepalen in welke lidstaat zij premies afdragen voor de sociale zekerheid. De Svb wil de bevoegdheid om een regularisatieprocedure te starten niet gebruiken om, in feite, alsnog zo’n keuzevrijheid te creëren.
Conclusie
5. Uit 4.1.1 tot en met 4.2.5 volgt dat het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak terecht ongegrond is verklaard. Nu het bestreden besluit dus niet onrechtmatig is heeft de rechtbank terecht afwijzend beslist op het door appellant ingediende verzoek om schadevergoeding. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2022.
(getekend) A. van Gijzen
De griffier is verhinderd te tekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.