Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-12-01
ECLI:NL:CRVB:2022:2617
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,657 tokens
Inleiding
212294 AW
Datum uitspraak: 1 december 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 mei 2021, 20/2691 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. V.R. Dekker hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dekker. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. ten Have en mr. T.E.O. Tjon a Njoek.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
De korpschef heeft vragen van de Raad beantwoord.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.
Vervolgens heeft de Raad op 14 november 2022 het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellant was werkzaam bij de politie in de functie van senior medewerker algemene politiezorg. In 2011 is appellant arbeidsongeschikt geraakt. Bij appellant is PTSS vastgesteld.
1.2.
Bij besluit van 22 november 2012 heeft de korpschef de bij betrokkene vastgestelde PTSS aangemerkt als beroepsziekte in de zin van artikel 1, eerste lid, onder y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Per 1 december 2014 heeft de korpschef appellant eervol ontslag verleend wegens ziekte. Appellant is door het Uwv 100% arbeidsongeschikt verklaard.
1.3.
De korpschef heeft op 22 juli 2014 aansprakelijkheid erkend voor de door appellant geleden schade verband houdend met de beroepsziekte. Bij besluit van 27 januari 2015 heeft de korpschef appellant een smartengelduitkering op grond van artikel 54a van het Barp toegekend ter hoogte van € 150.000,-. Bij besluit van 10 maart 2016 heeft de korpschef aan appellant schadevergoeding toegekend tot een bedrag van € 368.000,-.
1.4.
Op 24 juli 2019 heeft appellant de korpschef verzocht om de legeskosten van € 34,52 voor het verlengen van zijn gehandicaptenparkeerkaart aan hem te vergoeden. Volgens appellant is de korpschef hiertoe verplicht op basis van het Barp dan wel in het kader van de erkenning van werkgeversaansprakelijkheid.
1.5.
Bij besluit van 17 september 2019 heeft de korpschef dit verzoek afgewezen.
1.6.
Bij besluit van 12 maart 2020 (bestreden besluit) heeft de korpschef het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de korpschef bieden de artikelen 53, 54 en 69b van het Barp geen grondslag om in dit geval de legeskosten te vergoeden. Daarnaast is het de bedoeling geweest om met het schadebesluit van 10 maart 2016 alle restschade finaal te regelen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen. Artikel 53 van het Barp vereist dat appellant aannemelijk maakt dat sprake is van een bijzonder geval, waarbij de kosten redelijkerwijs niet voor zijn rekening kunnen blijven. Hij is hierin echter niet geslaagd. Dat in 2014 is besloten de kosten van de hulphond te vergoeden, betekent niet dat de korpschef ook de parkeerkosten moet vergoeden. Dat de kosten zich niet zouden hebben voorgedaan zonder de beroepsziekte, is daarvoor onvoldoende, nu het Barp en andere rechtspositionele regelingen al op een andere manier voorzien in een regeling voor de gevolgen van een dienstongeval. Verder kan niet worden geoordeeld dat de (geringe) legeskosten van de parkeerkaart redelijkerwijs niet voor rekening van appellant kunnen komen. Nu geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 53 van het Barp, was de korpschef niet gehouden op grond daarvan een tegemoetkoming te verstrekken. Ook hoeven de legeskosten niet te worden vergoed op grond van werkgeversaansprakelijkheid. Weliswaar is tussen partijen geen (vaststellings)overeenkomst gesloten waarin expliciet een finale kwijting is overeengekomen en is in het besluit van 10 maart 2016 niet opgenomen dat sprake is van finale kwijting, maar uit de motivering van dat besluit kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de korpschef en appellant is geweest om de restschade finaal te regelen.
3. Met het hoger beroep wil appellant bereiken dat de korpschef hem alsnog de legeskosten van € 34,52 voor het verlengen van zijn gehandicaptenparkeerkaart vergoedt.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraken van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98) heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.
4.2.
De korpschef heeft in antwoorden op vragen van de Raad vermeld dat de korpschef de aansprakelijkheid voor de geleden restschade ten gevolge van de erkende beroepsziekte van appellant heeft erkend en dat de korpschef daarmee ook een schending van een zorgplicht jegens appellant heeft erkend. In hoger beroep is in geschil of appellant op grond van artikel 53 van het Barp aanspraak heeft op vergoeding van kosten in verband met ziekte, dan wel op grond van schending van de zorgplicht recht heeft op schadevergoeding in de vorm van de legeskosten.
Schadevergoeding op grond van schending zorgplicht
4.1.
Appellant heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de korpschef de legeskosten voor de verlening van zijn gehandicaptenparkeerkaart moet vergoeden op grond van de schending van de zorgplicht. Hiertoe heeft hij betoogd dat destijds bij de toekenning van de schadevergoeding geen finale kwijting met de korpschef is afgesproken. Appellant zou dat ook nooit gewild hebben. Als het de bedoeling van partijen zou zijn geweest om de restschade finaal te regelen, dan zou dat – zoals gebruikelijk is – wel expliciet in het besluit van 10 maart 2016 zijn opgenomen. Verder is in de schadeberekening van SmitsLetselschade van 27 februari 2015 een limitatief aantal schadeposten opgenomen. Hieruit volgt dat over toekomstige onvoorziene schade geen afspraken zijn gemaakt.
4.2.
Het college stelt zich in dit verband op het standpunt dat het de bedoeling is geweest om met het besluit van 10 maart 2016 de restschade verband houdend met de beroepsziekte finaal te regelen. De schade die hierna opkomt, zoals de legeskosten, komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
4.3.
In het besluit van 10 maart 2016 is – onder meer – het volgende vermeld. Op 22 juli 2014 heeft het korps de aansprakelijkheid voor de door appellant geleden restschade verband houdend met zijn beroepsziekte erkend. Naar aanleiding van het rapport van SmitsLetselschade is er overleg geweest tussen de korpschef en de belangenbehartigers van appellant en is advies ingewonnen bij de door het korps ingeschakelde verzekeringsmaatschappij. In het overleg is op basis van redelijkheid en billijkheid bij de verschillende kostenposten een afweging gemaakt. De schadeberekening heeft onder meer betrekking op het verlies van arbeidsvermogen, de gemiste loopbaankansen en de pensioenschade van appellant, inclusief de wettelijke rente. Uiteindelijk is het met de belangenbehartiger van appellant overeengekomen totaalbedrag aan appellant voorgelegd en is aan de korpschef bericht dat appellant daarmee instemt. Gelet daarop heeft de korpschef besloten de schade ten bedrage van € 368.000,- netto aan appellant te vergoeden. Appellant heeft de in dit besluit beschreven gang van zaken niet betwist.
4.4.
Appellant kan worden gevolgd in zijn standpunt dat uit het besluit van 10 maart 2016 niet kan worden opgemaakt dat daarmee beoogd is alle restschade, ook nog onzekere toekomstige schade, die verband houdt met de schending van de zorgplicht te vergoeden. In het daarin aangehaalde letselschaderapport van Smits-Letselschade van 27 februari 2015 zijn verschillende schadeposten vermeld, waaronder concreet vermelde toekomstige schade, zoals inkomsten en pensioenschade en kosten voor huishoudelijke hulp. In het rapport is geen schadepost opgenomen voor onzekere toekomstige schade.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 maart 2020;
herroept het besluit van 17 september 2019 en bepaalt dat de korpschef aan appellant de legeskosten van de gehandicaptenparkeerkaart ter hoogte van € 34,52 vergoedt;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
veroordeelt de korpschef in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.118,-;
bepaalt dat de korpschef het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 448,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2022.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen.