Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-10-10
ECLI:NL:CRVB:2022:2164
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,394 tokens
Inleiding
21 2257 WIA-T
Datum uitspraak: 10 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2021, 19/4700 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2022. Namens appellant is mr. M. Shaaban, als opvolgend gemachtigde, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als instellingskok voor 36,18 uur per week. Op 14 november 2016 heeft appellant zich ziek gemeld met fysieke en psychische klachten vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Het Uwv heeft het recht op uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) van appellant per 20 juni 2017 beëindigd.
1.2.
Op 5 juli 2017 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 20 oktober 2017 heeft het Uwv aan appellant per die datum een uitkering toegekend op grond van de ZW. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 12 september 2018 het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 september 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 16 oktober
2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 27 november 2018 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 augustus 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van
30 juli 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 5 augustus 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien extra beperkingen in de FML aan te nemen op de beoordelingspunten 1.9.9 en 4.20 in verband met epilepsie. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens twee van de functies laten vervallen en twee nieuwe functies geselecteerd. Dit heeft ertoe geleid dat appellant ongewijzigd minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de FML en de functieduiding die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd onjuist waren, maar dat het Uwv deze gebreken in beroep heeft hersteld. De rechtbank is niet gebleken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft overwogen dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep het Uwv niet kan worden tegengeworpen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd geen reden geeft het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Niet is gebleken dat het Uwv een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant. De door appellant naar voren gebrachte klachten zijn uitvoerig beschreven en meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de matig depressieve klachten zijn afgenomen en het toestandsbeeld is gestabiliseerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat voor de rugklachten van appellant geen medische oorzaak bestaat, dat deze niet consistent zijn en mogelijk samenhangen met de depressieve klachten van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder inzichtelijk gemotiveerd dat slaapproblemen kunnen leiden tot vermoeidheidsklachten maar niet tot een medisch objectiveerbaar energietekort zoals bedoeld in de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht waarom appellant in staat is de geduide functies te verrichten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen uitgebreid lichamelijk onderzoek heeft verricht. Dit was wel aangewezen omdat het primaire onderzoek is verricht door een ANIOS verzekeringsgeneeskundige en omdat eerder wel rugklachten zijn aangenomen. Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. De FML geeft geen correct beeld van zijn beperkingen op de datum in geding. Appellant heeft chronische rugklachten waarvoor eerder wel beperkingen zijn aangenomen en waarvan hij onverminderd last heeft. Ook had gelet op de lichamelijke klachten en slaapproblematiek een urenbeperking aangenomen moeten worden. Appellant heeft ook aangevoerd dat de voorgehouden voorbeeldfuncties zijn belastbaarheid overschrijden en daarom niet passend zijn. De rechtbank heeft ten onrechte geen deskundige aangewezen. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Tot slot heeft appellant betoogd dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen in de kosten van het opvragen van medische informatie ad € 41,80.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 september 2022, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 27 november 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Allereerst moet de vraag beantwoord worden of het door het Uwv uitgevoerde verzekeringsgeneeskundig onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid is verricht.
4.4.
In de uitspraak van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491, heeft de Raad overwogen dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar met zich brengt dat in situaties als deze, waarin de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en waar in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt onderzocht en er dus feitelijk sprake is van een contact met deze verzekeringsarts. Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft.
4.5.
Niet in geschil is dat in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant geobserveerd tijdens de hoorzitting. Zoals volgt uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1991) kan een hoorzitting niet met (de beslotenheid van) een spreekuur worden gelijkgesteld.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 8 augustus 2019 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2022.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) L. Winters