Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-06-02
ECLI:NL:CRVB:2022:1237
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
3,136 tokens
Inleiding
20/3612 AW e.v.
Datum uitspraak: 2 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 1 september 2020, 19/3496, 18 mei 2021, 20/4383, 18 mei 2021, 20/4381, 20 juli 2021, 20/4363, van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2021, 20/6321, 29 oktober 2021, 19/4610, en van de rechtbank Den Haag van 4 november 2021, 20/7556 en 20/7562 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats 1] en zeven anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende bijlage (appellanten)
de korpschef van politie (korpschef)
Procesverloop
Namens appellanten heeft [naam 1] de hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.
De korpschef heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2022. Appellanten, uitgezonderd [appellant 8] zijn verschenen, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] . De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Keeken en F.H. Waterham.
Overwegingen
1.1. Appellanten zijn allen werkzaam geweest als vlieger bij de Nationale Politie. De korpschef heeft aan hen bij afzonderlijke besluiten functioneel leeftijdsontslag verleend. Al deze besluiten zijn genomen voor 1 juli 2016.
1.2. Vanaf het moment van hun functioneel leeftijdsontslag hebben appellanten een ontslaguitkering ontvangen op grond van de Regeling ontslaguitkering vliegers Landelijke eenheid (Regeling). De korpschef heeft appellanten bij afzonderlijke brieven medegedeeld dat hun ontslaguitkering eindigt op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Door een verhoging van de in de Algemene Ouderdomswet (AOW) bepaalde leeftijd sluit de ingangsdatum van de AOW- en pensioenuitkering van appellanten niet aan op het einde van de ontslaguitkering. De periode tussen het einde van de ontslaguitkering en de geldende pensioengerechtigde leeftijd (het zogenoemde AOW-gat) verschilt voor appellanten en varieert van een jaar tot twee jaar en drie maanden.
1.3. In verband met dit AOW-gat ontvangen appellanten vanaf het moment dat zij de leeftijd van 65 jaar bereiken een financiële tegemoetkoming ter hoogte van minimaal 90% van hun zogeheten gerechtvaardigde aanspraak. Deze tegemoetkoming eindigt wanneer appellanten de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken.
1.4. Bij afzonderlijke besluiten heeft de korpschef de verzoeken van appellanten om hun ontslaguitkering te laten aansluiten op hun AOW-uitkering afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten van 30 juli 2019, 9 oktober 2020 en 22 oktober 2020 (bestreden besluiten) heeft de korpschef de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraken hebben de rechtbank Midden-Nederland, de rechtbank Rotterdam en de rechtbank Den Haag de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daarbij hebben de rechtbanken – zakelijk weergegeven – overwogen dat onder de Regeling zoals deze gold tot 26 juli 2016, het einde van de ontslaguitkering samenviel met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, destijds de AOW-gerechtigde leeftijd. Anders dan appellanten hebben betoogd kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de ontslaguitkering zou eindigen op het moment dat appellanten de AOW-gerechtigde leeftijd zouden bereiken. Juist voor situaties als die van appellanten voorziet de Regeling zoals deze sinds 26 juli 2016 geldt namelijk in een compensatie. De rechtbanken hebben verder overwogen dat de korpschef met de bestreden besluiten niet een verboden onderscheid naar leeftijd heeft gemaakt. Op grond van de Regeling wordt de ontslaguitkering voor maximaal tien jaar verstrekt. Het verschil in de Regeling is geen onderscheid naar leeftijd maar heeft betrekking op het moment waarop de termijn van tien jaar aanvangt.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
De toepasselijke regelgeving
4.1. Op grond van artikel 88a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, zoals dat luidde tot 1 juli 2016 (Barp (oud)), werd aan een vlieger bij de landelijke eenheid eervol ontslag verleend bij het bereiken van de leeftijd van 55 jaar. Op grond van artikel 88a, vijfde lid, van het Barp (oud) heeft een vlieger aan wie op grond van het eerste lid ontslag is verleend recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Korpschef te stellen regels. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling. Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling zoals dit luidde tot 1 juli 2016 (Regeling (oud)) bepaalt dat het recht op de uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
4.2. Met ingang van 1 januari 2013 zijn de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioenrichtleeftijd stapsgewijs verhoogd. In verband hiermee is het Besluit algemene rechtspositie politie aangepast. Op grond van artikel 88a, eerste lid, van dat besluit, zoals dat luidt met ingang van 1 juli 2016 (Barp (nieuw)), wordt aan een vlieger bij de landelijke eenheid eervol ontslag verleend wanneer hij maximaal tien jaar jonger is dan de op dat moment voor hem toepasselijke AOW-gerechtigde leeftijd. Op grond van artikel 88a, vijfde lid, van het Barp (nieuw) heeft een vlieger aan wie op grond van het eerste lid ontslag is verleend recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels. Deze regels zijn neergelegd in de Regeling. In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, zoals deze luidt met ingang van 26 juli 2016 (Regeling (nieuw)), is bepaald dat het recht op de ontslaguitkering eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene de AOWgerechtigde leeftijd heeft bereikt.
4.3. In artikel 13b, eerste lid, van de Regeling (nieuw) is bepaald dat, in afwijking van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, de betrokkene die op enig tijdstip in de periode van 1 januari 2013 tot 26 juli 2016 recht heeft op een ontslaguitkering en de leeftijd van 65 jaar bereikt op of na 1 april 2017 vanaf die leeftijd recht heeft op een tegemoetkoming. Die tegemoetkoming bedraagt minimaal 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene.
4.4. Appellanten hebben aangevoerd dat de Regeling (nieuw) op hen niet van toepassing is. Dit betoog slaagt niet. Appellanten voldoen of zullen, als zij de leeftijd van 65 jaar bereiken, voldoen aan de voorwaarden van artikel 13b, eerste lid, van de Regeling (nieuw). De Regeling (nieuw) is dan ook op hen van toepassing.
Het moment waarop de ontslaguitkering eindigt
4.5. Appellanten zijn van mening dat hun ontslaguitkering dient door te lopen tot aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Zij hebben daartoe allereerst aangevoerd dat het de bedoeling van de wetgever is dat de ontslaguitkering eindigt op het moment dat een vlieger de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
In de periode waarin appellanten functioneel leeftijdsontslag is verleend gold de Regeling (oud) waarin was bepaald dat het recht op de ontslaguitkering eindigt wanneer betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt (artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c). Die bepaling laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Dat bij de totstandkoming van de Regeling (oud) is aangesloten bij toenmalige AOW-gerechtigde leeftijd betekent, zoals de rechtbanken terecht hebben overwogen, niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat in het geval van appellanten de ontslaguitkering eindigt als zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Juist voor de situatie als die van appellanten heeft de wetgever een andere keuze gemaakt door de Regeling aan te passen en in artikel 13b te voorzien in een tegemoetkoming vanaf het moment dat appellanten de leeftijd van 65 jaar bereiken. Dit betekent dat uit zowel de Regeling (oud) als de Regeling (nieuw) blijkt dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat de ontslaguitkering van appellanten eindigt op het moment dat zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken.
4.5.1. Anders dan appellanten menen is noch door de regelgeving, noch in andere stukken de verwachting gewekt dat hun ontslaguitkering zou doorlopen tot aan hun AOW-gerechtigde leeftijd. De Raad deelt dan ook niet de opvatting van appellanten dat de korpschef uit een oogpunt van goed werkgeverschap gehouden is om deze door hen gestelde verwachting na te komen. Artikel 13b van de Regeling voorziet erin dat aan appellanten na de beëindiging van hun ontslaguitkering een tegemoetkoming ter hoogte van minimaal 90% van hun gerechtvaardigde aanspraak wordt toegekend. Daarmee zijn appellanten tot hun AOWgerechtigde leeftijd verzekerd van een inkomen. Dat appellanten een andere regeling wensen is geen grond voor het oordeel dat, anders dan in de Regeling is bepaald, hun ontslaguitkering zou moeten doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.
Verboden onderscheid naar leeftijd?
4.6.
Conclusie
4.8. Conclusie is dat de korpschef niet gehouden was om de ontslaguitkering van appellanten te laten doorlopen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Uit het besprokene ter zitting is de Raad duidelijk geworden dat de (toekomstige) inkomenspositie van appellanten, door een veelheid aan oorzaken, lager uitvalt dan verwacht. Dat gegeven, hoe teleurstellend ook voor appellanten, maakt echter niet dat de korpschef de aanspraken van appellanten onjuist heeft vastgesteld. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2022.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) B.H.B. Verheul
Bijlage 1
Registratienummers van de hoger beroepen die bij deze uitspraak worden afgedaan
De namen van appellanten
1.
21/2261 AW
[appellant 2] te [woonplaats 2]
2.
21/2262 AW
[appellant 3] te [woonplaats 3]
3.
21/2801 AW
[appellant 4] te [woonplaats 4]
4.
21/3123 AW
[appellant 5] te [woonplaats 5]
5.
21/4328 AW
[appellant 6] te [woonplaats 6]
6.
21/4329 AW
[appellant 7] te [woonplaats 7]
7.
21/4330 AW
[appellant 8] te [woonplaats 8]
Wet Verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328 en 329.
Besluit van 21 juni 2016, Stb. 2016, 239.
Uitspraak van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2614.
Uitspraak van 1 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1904, overweging 6.3.3.
Oordeel van 11 december 2014, nr. 2014-156.