Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-12-21
ECLI:NL:CRVB:2021:3285
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,008 tokens
Inleiding
20 2029 PW, 20/2030 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2020, 19/2270 en 19/2271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 21 december 2021
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2021. Namens appellant is verschenen mr. Van der Bent. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand afgewezen. Appellant heeft op 2 juli 2018 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 28 juni 2018 heeft het college de bijstand van appellant vanaf 1 februari 2018 ingetrokken en de vanaf 1 februari 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.781,54 van hem teruggevorderd. Appellant heeft op 3 augustus 2018 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij brieven van 2 januari 2019 heeft appellant het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van besluiten op de bezwaren tegen de besluiten van 25 juni 2018 en 28 juni 2018.
1.4.
Bij besluiten van 15 mei 2019 heeft het college alsnog op de bezwaren beslist.
1.5.
Bij besluiten van 22 mei 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 26 augustus 2019 (bestreden besluiten), heeft het college geen dwangsom toegekend. Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag dat appellant het college onredelijk laat in gebreke heeft gesteld en dat tussen appellant en het college geen contact heeft plaatsgevonden in de periode tussen het aflopen van de beslistermijnen en het indienen van de ingebrekestellingen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de ingebrekestelling niet onredelijk laat is ingediend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In deze zaak is in geschil of het college terecht heeft beslist dat het geen dwangsom aan appellant verschuldigd is, omdat appellant het college onredelijk laat in gebreke heeft gesteld.
4.2.
Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het college een dwangsom verschuldigd met ingang van de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het college de schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4.3.
Niet in geschil is dat de termijn waarbinnen op de in 1.1 en 1.2 genoemde bezwaren diende te worden beslist op 29 oktober 2018 verstreek. Dit betekent dat het college vanaf 30 oktober 2018 in gebreke was en dat appellant het college vanaf die datum in gebreke kon stellen. Het college heeft de ingebrekestellingen ontvangen op 2 januari 2019. Er zijn dus ruim negen weken verstreken tussen het moment dat de beslistermijn is verlopen en het moment dat appellant het college in gebreke heeft gesteld.
4.4.
Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb is over de vraag wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend onder meer het volgende vermeld.
4.4.1.
In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, blz. 8): “Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan.”
4.4.2.
In de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het Advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 5): “In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.”
4.4.3.
In de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het Advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 13): “Ten eerste is geen dwangsom verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld (onderdeel a). Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 6:12, derde lid, Awb voor het bezwaar of beroep tegen niet tijdig beslissen. Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan.”
4.4.4.
In de Nota naar aanleiding van het Verslag (Kamerstukken II 2005/06, 29 934, nr. 8, blz. 3): “De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemers waarom is niet gekozen voor een termijn voor het indienen van de ingebrekestelling? Zij stellen een termijn van bijvoorbeeld twee of drie weken voor, om een discussie over wanneer er sprake is van «onredelijk laat» in gebreke stellen te vermijden. Hoewel wij inzien dat een dergelijke discussie mogelijk kan ontstaan, willen wij toch geen vaste termijn waarbinnen een ingebrekestelling moet worden verstuurd vastleggen. Een dergelijke termijn wordt een fatale termijn waarna de burger indien hij alsnog een ingebrekestelling wenst te versturen, niet ontvankelijk zal worden verklaard. Dit voert te ver. Het is immers de burger die recht heeft op een tijdige beslissing. Het feit dat die beslissing niet op tijd komt – er vanuit gaande dat dit niet aan de burger zelf te wijten valt – mag niet aan de burger worden toegerekend. Het invoeren van een vaste termijn voor een ingebrekestelling zou kunnen betekenen dat een coulante burger die het bestuursorgaan meer tijd gunt om een beslissing te nemen of door dat bestuursorgaan aan het lijntje wordt gehouden, gestraft wordt in die zin dat hij zijn recht op een dwangsom daarmee verspeelt. Als er sprake zou zijn van een termijn voor een ingebrekestelling, zou daarmee de burger worden geconfronteerd met een niet gewenste inperking van zijn recht op een tijdige beslissing. Bovendien achten wij het risico dat een bestuursorgaan pas na lange tijd zal worden geconfronteerd met een ingebrekestelling niet zo groot, aangezien het vrijwel altijd in het belang van de burger zelf zal zijn om zo snel mogelijk een ingebrekestelling te sturen. Het stellen van een termijn van twee of drie weken waarbinnen een ingebrekestelling zou moeten zijn gestuurd, levert ook praktische problemen op. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een burger vanwege vakantie, zakenreis, ziekte en dergelijke niet in staat is om binnen die termijn een ingebrekestelling te sturen. Om het bestuursorgaan toch niet al te lang in het ongewisse te laten over de verschuldigdheid van een dwangsom hebben wij in ons voorstel wel de bepaling opgenomen dat een ingebrekestelling niet onredelijk laat mag worden ingediend. Wij willen er graag op wijzen dat de grond «onredelijk laat» reeds in de Awb wordt gebruikt (artikel 6:12, derde lid). Bovendien bestaat hierover, zoals wij in de Memorie van Toelichting bij artikel 4:17 vijfde lid hebben aangestipt, de nodige rechtspraak over dit begrip. Daar is er onder andere op gewezen dat wat onredelijk laat is, niet in zijn algemeenheid kan worden bepaald. Het is niet per se van doorslaggevend belang wanneer de oorspronkelijke aanvraag of bezwaar is ingediend.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten van 26 augustus 2019;
herroept de besluiten van 22 mei 2019;
stelt de hoogte van de door het college aan appellant verschuldigde dwangsommen vast op € 2.884,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 26 augustus 2019;
veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.778,-;
bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 479,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.P.M. Jacobs en J.E. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2021.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) R. de Haas
Inleiding
20 2029 PW, 20/2030 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 mei 2020, 19/2270 en 19/2271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 21 december 2021
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2021. Namens appellant is verschenen mr. Van der Bent. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand afgewezen. Appellant heeft op 2 juli 2018 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 28 juni 2018 heeft het college de bijstand van appellant vanaf 1 februari 2018 ingetrokken en de vanaf 1 februari 2018 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.781,54 van hem teruggevorderd. Appellant heeft op 3 augustus 2018 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij brieven van 2 januari 2019 heeft appellant het college in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig nemen van besluiten op de bezwaren tegen de besluiten van 25 juni 2018 en 28 juni 2018.
1.4.
Bij besluiten van 15 mei 2019 heeft het college alsnog op de bezwaren beslist.
1.5.
Bij besluiten van 22 mei 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 26 augustus 2019 (bestreden besluiten), heeft het college geen dwangsom toegekend. Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag dat appellant het college onredelijk laat in gebreke heeft gesteld en dat tussen appellant en het college geen contact heeft plaatsgevonden in de periode tussen het aflopen van de beslistermijnen en het indienen van de ingebrekestellingen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat de ingebrekestelling niet onredelijk laat is ingediend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In deze zaak is in geschil of het college terecht heeft beslist dat het geen dwangsom aan appellant verschuldigd is, omdat appellant het college onredelijk laat in gebreke heeft gesteld.
4.2.
Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het college een dwangsom verschuldigd met ingang van de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het college de schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4.3.
Niet in geschil is dat de termijn waarbinnen op de in 1.1 en 1.2 genoemde bezwaren diende te worden beslist op 29 oktober 2018 verstreek. Dit betekent dat het college vanaf 30 oktober 2018 in gebreke was en dat appellant het college vanaf die datum in gebreke kon stellen. Het college heeft de ingebrekestellingen ontvangen op 2 januari 2019. Er zijn dus ruim negen weken verstreken tussen het moment dat de beslistermijn is verlopen en het moment dat appellant het college in gebreke heeft gesteld.
4.4.
Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb is over de vraag wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend onder meer het volgende vermeld.
4.4.1.
In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 3, blz. 8): “Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan.”
4.4.2.
In de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het Advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 5): “In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.”
4.4.3.
In de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het Advies van de Raad van State (Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 13): “Ten eerste is geen dwangsom verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld (onderdeel a). Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 6:12, derde lid, Awb voor het bezwaar of beroep tegen niet tijdig beslissen. Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan.”
4.4.4.
In de Nota naar aanleiding van het Verslag (Kamerstukken II 2005/06, 29 934, nr. 8, blz. 3): “De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemers waarom is niet gekozen voor een termijn voor het indienen van de ingebrekestelling? Zij stellen een termijn van bijvoorbeeld twee of drie weken voor, om een discussie over wanneer er sprake is van «onredelijk laat» in gebreke stellen te vermijden. Hoewel wij inzien dat een dergelijke discussie mogelijk kan ontstaan, willen wij toch geen vaste termijn waarbinnen een ingebrekestelling moet worden verstuurd vastleggen. Een dergelijke termijn wordt een fatale termijn waarna de burger indien hij alsnog een ingebrekestelling wenst te versturen, niet ontvankelijk zal worden verklaard. Dit voert te ver. Het is immers de burger die recht heeft op een tijdige beslissing. Het feit dat die beslissing niet op tijd komt – er vanuit gaande dat dit niet aan de burger zelf te wijten valt – mag niet aan de burger worden toegerekend. Het invoeren van een vaste termijn voor een ingebrekestelling zou kunnen betekenen dat een coulante burger die het bestuursorgaan meer tijd gunt om een beslissing te nemen of door dat bestuursorgaan aan het lijntje wordt gehouden, gestraft wordt in die zin dat hij zijn recht op een dwangsom daarmee verspeelt. Als er sprake zou zijn van een termijn voor een ingebrekestelling, zou daarmee de burger worden geconfronteerd met een niet gewenste inperking van zijn recht op een tijdige beslissing. Bovendien achten wij het risico dat een bestuursorgaan pas na lange tijd zal worden geconfronteerd met een ingebrekestelling niet zo groot, aangezien het vrijwel altijd in het belang van de burger zelf zal zijn om zo snel mogelijk een ingebrekestelling te sturen. Het stellen van een termijn van twee of drie weken waarbinnen een ingebrekestelling zou moeten zijn gestuurd, levert ook praktische problemen op. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een burger vanwege vakantie, zakenreis, ziekte en dergelijke niet in staat is om binnen die termijn een ingebrekestelling te sturen. Om het bestuursorgaan toch niet al te lang in het ongewisse te laten over de verschuldigdheid van een dwangsom hebben wij in ons voorstel wel de bepaling opgenomen dat een ingebrekestelling niet onredelijk laat mag worden ingediend. Wij willen er graag op wijzen dat de grond «onredelijk laat» reeds in de Awb wordt gebruikt (artikel 6:12, derde lid). Bovendien bestaat hierover, zoals wij in de Memorie van Toelichting bij artikel 4:17 vijfde lid hebben aangestipt, de nodige rechtspraak over dit begrip. Daar is er onder andere op gewezen dat wat onredelijk laat is, niet in zijn algemeenheid kan worden bepaald. Het is niet per se van doorslaggevend belang wanneer de oorspronkelijke aanvraag of bezwaar is ingediend.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten van 26 augustus 2019;
herroept de besluiten van 22 mei 2019;
stelt de hoogte van de door het college aan appellant verschuldigde dwangsommen vast op € 2.884,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 26 augustus 2019;
veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.778,-;
bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 479,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.P.M. Jacobs en J.E. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2021.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) R. de Haas