Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-09-09
ECLI:NL:CRVB:2021:2274
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,866 tokens
Inleiding
201497 ZW
Datum uitspraak: 9 september 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
6 maart 2020, 19/2543 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via beeldbellen op 11 augustus 2021. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kuit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker in een paprikakwekerij. Op 14 december 2018 heeft hij zich, vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van 16 januari 2019 (primaire besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 14 december 2018 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij per die datum geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 april 2019 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft het primaire besluit herroepen en geconcludeerd dat appellant per 14 december 2018 niet arbeidsgeschikt was, maar wel vanaf 16 januari 2019, de dag na de primaire beoordeling. Vanaf 16 januari 2019 heeft appellant geen recht meer op een ZW-uitkering omdat hij met ingang van die datum geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 1 april 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat, hoewel er niet alleen sprake lijkt van spanningsklachten maar eerder van surmenage/depressie, er geen sprake is van dermate ernstige psychiatrie dat het lichte aangepaste productiewerk niet zou kunnen worden verricht. Bovendien werd er in zijn werk als productiemedewerker rekening gehouden met de door appellant ervaren klachten en beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat deze verlichtende omstandigheden terecht zijn meegewogen. Appellant heeft in beroep niet met medische gegevens aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op 16 januari 2019 en ook de rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om die conclusie te trekken. De rechtbank heeft in de brief van de praktijkondersteuner van 25 februari 2019 geen grond gezien om tot een ander oordeel te komen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van deze brief en geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen. Ook ziet de brief van de praktijkondersteuner op een datum vijf weken na de datum in geding. Ook in het rapport van Indigo van 5 september 2019 heeft de rechtbank geen grond gezien om tot een ander oordeel te komen. Het betreft een psychologisch participatieadvies waarbij niet hetzelfde toetsingskader wordt gehanteerd als bij de beoordeling van de vraag of appellant weer in staat kan worden geacht tot het verrichten van zijn eigen arbeid in de zin van de ZW en bovendien heeft ook dit rapport betrekking op een datum na de datum in geding.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn psychische klachten, die onder andere zijn ontstaan na een aan hem gegeven ontslag, zijn verergerd op 14 december 2018 en op 16 januari 2019 nog aanwezig waren. Appellant is van mening dat het Uwv met zijn klachten en beperkingen per datum in geding onvoldoende rekening heeft gehouden. Appellant was als gevolg van die klachten niet geschikt om met ingang van 16 januari 2019 zijn eigen werk te verrichten. Appellant stelt dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft gehecht aan de door hem in beroep overgelegde informatie van Indigo, nu dit rapport een duidelijk beeld schetst van de mate van belastbaarheid van appellant op 16 januari 2019.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
Ter beoordeling is of de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard. In geschil is of het Uwv terecht ziekengeld heeft geweigerd aan appellant met ingang van 16 januari 2019.
4.3.
De gronden die appellant in dit hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de daarbij getrokken conclusies. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.
4.4.
Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Het op de zitting ingenomen standpunt van appellant dat met de verlichtende omstandigheden van het werk, zoals het gaan zitten en rust houden bij concentratieproblemen en hoofdpijn, geen rekening moet worden gehouden, slaagt niet. Uit vaste rechtspraak blijkt dat bijzondere verlichtende aspecten van de laatste functie en situatieve omstandigheden niet buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 6 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2021.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) L.R. Kokhuis