Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-08-31
ECLI:NL:CRVB:2021:2197
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,402 tokens
Inleiding
20 996 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2020, 19/2131 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 31 augustus 2021
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. S.M. Hoogenraad, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en op vragen van de Raad een reactie gegeven.
Appellanten hebben nadere stukken ingediend. Het college heeft daar schriftelijk op gereageerd.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 juli 2021. Appellanten en hun gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 7 augustus 2013 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet en met toepassing van de kostendelersnorm.
1.2.
De unitcoördinator van de afdeling Werk Zorg en Inkomen van de gemeente Zoetermeer heeft bij brieven van 25 juli 2018 en 2 augustus 2018 in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek bankafschriften bij appellanten opgevraagd.
1.3.1.
Op de bankafschriften van appellanten waren stortingen en overschrijvingen zichtbaar. Die stortingen en overschrijvingen waren voor het college aanleiding om bij besluiten van 17 december 2018 en 28 december 2018, voor zover hier van belang en zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 februari 2019 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten in te trekken over de maanden maart en juli 2017 en de bijstand te herzien over de maanden juni 2017 en februari tot en met juni 2018. Ook heeft het college de over die maanden voor appellanten gemaakte kosten van bijstand van hen teruggevorderd tot een bedrag van € 4.631,35.
1.3.2.
Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de kasstortingen en overschrijvingen. Het college heeft zes kasstortingen als inkomen in aanmerking genomen en op de bijstand in mindering gebracht. In de maanden waarin de overschrijving meer bedroeg dan de bijstandsnorm van appellanten, heeft het college de bijstand ingetrokken.
De kasstortingen hebben plaatsgevonden op 17 juni 2017, 17 februari 2018, 14 maart 2018, 7 april 2018, 24 april 2018 en 11 mei 2018. Deze kasstortingen variëren van € 100,- tot € 300,-. De drie overschrijvingen zijn van:
- 7 maart 2017, € 2.000,-, afkomstig van uitwonende zoon H;
- 20 juli 2017, € 3.000,-, afkomstig van inwonende zoon B;
- 17 juni 2018, € 500,-, afkomstig van de broer van appellant, eveneens H geheten (broer).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die door derden zijn overgemaakt op een bankrekening van een bijstandontvanger, worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450).
Overschrijving € 2.000,- van zoon H
4.2.1.
Appellanten stellen dat de overschrijving van zoon H een lening betreft die bestemd was om belastingschulden van appellanten mee af te lossen. Appellanten verwijzen in dit verband naar een verklaring van zoon H van 7 mei 2019, waarin staat dat hij het bedrag als lening heeft overgemaakt om belastingschulden mee te betalen. Op de rekeningafschriften zou te zien zijn dat de schulden bij de Belastingdienst zijn afbetaald.
4.2.2.
Deze grond slaagt niet. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een lening en dat appellanten niet vrij konden beschikken over de overschrijving van € 2000,-. Bij brief van 31 maart 2021, herhaald bij brief van 18 mei 2021, heeft de Raad appellanten vragen gesteld. Met betrekking tot de overschrijving van € 2.000,- heeft de Raad onder meer gevraagd uit welke bankafschriften is af te leiden dat de overschrijving is gebruikt om de belastingschuld af te lossen. Appellanten hebben de vragen van de Raad niet beantwoord en ook zijn zij niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven. De enkele achteraf opgestelde verklaring van zoon H dat sprake was van een lening om belastingschulden af te lossen is onvoldoende om aannemelijk te achten dat de overschrijving een lening van zoon H aan appellanten betreft. Op het betreffende bankafschrift staat geen kenmerk van de overschrijving. Een overeenkomst van geldlening ontbreekt, net als aanknopingspunten dat – zoals appellanten stellen – met het bedrag van € 2.000,- belastingschulden zijn voldaan. Uitgangspunt is daarom dat appellanten vrij over het op hun bankrekening bijgeschreven bedrag van € 2.000,- konden beschikken.
4.2.3.
Het college heeft de overschrijving terecht als inkomen in aanmerking genomen. De grond van appellanten dat het hier een eenmalige betaling betreft die niet als inkomen in aanmerking kan worden genomen slaagt niet. Zoals de Raad vaker heeft geoordeeld (uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055), kan onder omstandigheden ook een eenmalige kasstorting of eenmalige overschrijving als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW worden aangemerkt. Voor de vraag of een middel als inkomen kan worden aangemerkt is van belang of de bron behoort tot of naar zijn aard overeenkomt met de in artikel 32, eerste lid, van de PW genoemde inkomensbronnen. Het is aan betrokkene om openheid van zaken te geven over de aard van die bron. Blijft de bron onduidelijk, dan geldt als uitgangspunt dat de eenmalige bijschrijving als inkomen is aan te merken. Uit 4.2.2 volgt dat appellanten geen enkele duidelijkheid hebben geboden over de aard van de bron.
Overschrijving € 500,- van broer
4.3.1.
Appellanten voeren met betrekking tot deze overschrijving aan dat ook deze overschrijving een lening betreft om schulden af te lossen.
4.3.2.
Deze grond slaagt evenmin. Ook van deze overschrijving is niet gebleken dat sprake is van een lening en dat appellanten beperkt waren in hun beschikkingsmacht. Iedere onderbouwing voor het standpunt van appellanten ontbreekt. De overschrijving op de bankrekening van appellanten betreft daarom een middel waarover zij vrij konden beschikken. Omdat de aard van de bron van de overschrijving onduidelijk is gebleven, heeft het college ook deze overschrijving terecht als inkomen in aanmerking genomen.
Kasstortingen
4.4.1.
Appellanten voeren met betrekking tot de in 1.3.2 genoemde kasstortingen aan dat de gestorte bedragen afkomstig zijn van inwonende zoon B. Deze bedragen zouden in het kader van de kostendelersnorm moeten worden gezien als bijdrage in de kosten van levensonderhoud.
4.4.2.
Ook deze grond slaagt niet. Dat is al het geval omdat niet duidelijk is van wie de gestorte geldbedragen afkomstig zijn. De verklaring van zoon B dat hij gelden aan zijn onderneming heeft onttrokken en op de bankrekening van zijn vader heeft gestort, is daartoe onvoldoende. Zoon B verwijst naar bedragen en data uit zijn kasboek, maar er ontbreekt een duidelijke samenhang in tijd en omvang tussen de door zoon B opgenomen bedragen en de op de bankrekening van appellant gestorte bedragen.
Vertrouwensbeginsel
4.5.1.
Appellanten hebben tot slot een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Appellanten zouden tijdens een gesprek op 17 maart 2017 bankafschriften aan hun klantmanager hebben overgelegd waaruit ook al bleek dat appellanten van hun kinderen geld ontvingen via overschrijvingen dan wel stortingen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2021.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) R.I.S. van Haaren