Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-07-08
ECLI:NL:CRVB:2021:1674
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,509 tokens
Inleiding
194134 ZW
Datum uitspraak: 8 juli 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
19 augustus 2019, 18/2423 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S.S. Sahtoe hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Op 3 mei 2021 heeft mr. M.W.J.A. van der Molen-Platenburg, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Zij heeft een vraag van de Raad beantwoord en de gronden aangevuld.
Het Uwv heeft daarop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn vader en bijgestaan door mr. Van der Molen-Platenburg. Het Uwv heeft zich door middel van beeldbellen laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als verkoopmedewerker bij een bouwmarkt voor gemiddeld 36,10 uur per week. Op 16 april 2016 heeft hij zich ziek gemeld met een gebroken enkel na een bedrijfsongeval. Het Uwv heeft appellant, na einde dienstverband per 1 mei 2016, per 2 mei 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellant op dat moment niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
1.2.
Naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts appellant op 22 januari 2018 op het spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 januari 2018. Een arbeidsdeskundige heeft in het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 100% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 8 februari 2018 vastgesteld dat appellant met ingang van 9 maart 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Bij besluit van 9 februari 2018 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij vanaf
16 april 2018 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat zijn ZW-uitkering voor het einde van de wachttijd van 104 weken is beëindigd.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 8 februari 2018 en 9 februari 2018. Bij besluit van 29 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv deze bezwaren ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 21 augustus 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 27 augustus 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat van misbruik door het Uwv van zijn bevoegdheden (‘détournement de pouvoir’) geen sprake is. Het Uwv was bevoegd tot een herbeoordeling van het recht op ZW-uitkering van appellant – ook kort voordat de Wet WIA-wachttijd zou zijn verstreken – en heeft precies dat gedaan. Volgens de rechtbank valt niet in te zien waarom hij daarvoor geen aanleiding heeft mogen zien of daarbij geen gebruik heeft mogen maken van medische en arbeidskundige rapportages die in eerste instantie voor een WIA-beoordeling zijn opgemaakt. De rechtbank heeft het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig geacht en heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bekend is met de enkelproblematiek en de psychische klachten van appellant, en dat er geen reden is aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de voor appellant geselecteerde functies niet geschikt zijn. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellant per 9 maart 2018 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Dientengevolge heeft appellant de wachttijd van 104 weken niet volbracht, zodat de aanvraag voor een
WIA-uitkering terecht is afgewezen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant erop gewezen dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door het Uwv heeft plaatsgevonden in het kader van de WIA-aanvraag van appellant. Omdat het Uwv deze beoordeling ten grondslag heeft gelegd aan de beëindiging van de ZW-uitkering is volgens appellant sprake van détournement de pouvoir en (in zekere zin) van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Er is volgens appellant ook sprake van détournement de pouvoir omdat het Uwv wel de ZW-uitkering heeft beëindigd, maar tijdens de ZW-periode geen re-integratie-inspanningen heeft ondernomen. Het Uwv heeft met de beëindiging van de ZW-uitkering dan ook oneigenlijk gebruik gemaakt van artikel 19aa van de ZW. Appellant heeft erop gewezen dat het gevolg van de beëindiging van de ZW-uitkering vlak voor het einde van de wachttijd is dat hij niet als ’35-minner’ in de zin van de Wet WIA wordt aangemerkt. Dit betekent dat hij bescherming vanuit de Wet WIA misloopt omdat hij niet onder de no-riskpolis valt en bovendien bij toegenomen klachten geen beroep kan doen op Amber. Tot slot heeft appellant, onder verwijzing naar informatie van 13 november 2019 van zijn behandelend klinisch psycholoog P.A.A.M. Schalken, gesteld dat hij psychisch meer beperkt is dan opgenomen in de FML.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van 3 december 2019 en 7 mei 2021 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat het hoger beroep zich toespitst op de beëindiging van de ZW-uitkering per 9 maart 2018. De Raad zich zal dan ook daartoe beperken.
4.2.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit.
4.3.
Ingevolge artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht gebruikt het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Op grond van artikel 19aa van de ZW is het Uwv bevoegd te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht op ziekengeld na het eerste ziektejaar. Wanneer niet aan de daarin genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt het recht op ziekengeld beëindigd. In de uitspraak van 30 oktober 2019 heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv te allen tijde bevoegd is deze ZW-beoordeling uit te voeren. Dat betekent dat het Uwv ook in deze zaak bevoegd was te onderzoeken of appellant voldeed aan de voorwaarden voor het recht op ziekengeld na het eerste ziektejaar en, nadat was vastgesteld dat appellant daaraan niet meer voldeed, over te gaan tot beëindiging van het ziekengeld per 9 maart 2018.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep:
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en T. Dompeling en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2021.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) A.L.K. Dagmar
Zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971.
ECLI:NL:CRVB:2019:3492.