Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-06-29
ECLI:NL:CRVB:2021:1596
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
882 tokens
Inleiding
201787 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 april 2020, 19/5557 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (college)
Datum uitspraak: 29 juni 2021
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: J.B. Beerens
Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. C.J. van der Have, advocaat. Namens het college is mr. L.G. Röst verschenen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 6.860,96. Het college vordert dat bedrag terug omdat appellant over een periode waarin hij bijstand genoot ook aanspraak had op een bedrag van € 17.595,- uit de nalatenschap van zijn oma.
Niet in geschil is dat het college bevoegd is tot terugvordering over te gaan. Het hoger beroep komt erop neer dat het college het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden door bij de beoordeling van de dringende redenen om van terugvordering af te zien, niet te betrekken dat appellant in de periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd, in het kader van een re-integratietraject werkzaamheden heeft verricht, zonder dat daar een vergoeding tegenover stond. In dit kader verwijst appellant ook naar artikel 4 van het Europees Sociaal Handvest.
Anders dan appellant stelt en zoals ook in de besluitvorming tot uitdrukking komt, vormt de enkele omstandigheid dat appellant in het kader van een re-integratietraject arbeid heeft verricht, geen reden van terugvordering af te zien of om de terugvordering te matigen.
De enkele omstandigheid dat de bijstand wordt teruggevorderd, laat in dit geval immers onverlet dat appellant in die maanden recht op bijstand had. Daar is met het terugvorderingsbesluit geen verandering in gebracht. Appellant heeft destijds in het kader van de aan het recht op bijstand gekoppelde verplichtingen een re-integratietraject gevolgd. Dat appellant zich heeft gehouden aan een uit de wet voortvloeiende verplichting brengt niet mee dat het college niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering over te gaan. De verplichting tot betaling van bijstand is gekoppeld aan het recht op bijstand en is niet gekoppeld aan de in het kader van een voorziening verrichte werkzaamheden. Een bijstandsuitkering kan ook niet gelijk worden gesteld met een arbeidsbeloning. De Raad volstaat hier verder met een verwijzing naar de in het verweerschrift in bezwaar ook door het college genoemde uitspraak van de Raad van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2550.
De in hoger beroep aangevoerde gronden slagen niet.
Voor een veroordeling in de kosten bestaat dan geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.B. Beerens (getekend) P.W. van Straalen