Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-01-25
ECLI:NL:CRVB:2021:156
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,344 tokens
Inleiding
17 6719 NIOAW
Datum uitspraak: 25 januari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 augustus 2017, 17/2412 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Het college heeft appellant bij besluit van 9 november 2016 met ingang van 6 november
2016 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) toegekend op de grondslag voor een alleenstaande kostendeler (kostendelersnorm). Ten tijde hier van belang woonde de echtgenote van appellant in Marokko. Zij had geen inkomen. De dochter van appellant woonde ten tijde hier van belang in dezelfde woning als appellant. Zij had inkomsten uit een fulltime dienstverband. Zij is als kostendelende medebewoner aangemerkt. Op grond hiervan ontving appellant 65% in plaats van 70% van het voor hem van toepassing zijnde minimumloon. Wegens het gezamenlijk inkomen van appellant en zijn dochter is de aan appellant verleende huurtoeslag met ingang van 1 december 2016 stopgezet.
1.2.
Bij besluit van 15 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 9 november 2016 gemaakte bezwaar, dat inhield dat het college ten onrechte de kostendelersnorm had toegepast, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De kostendelersnorm is met ingang van 11 juli 2015 in de IOAW ingevoerd, met een systematiek die, kort gezegd, inhoudt dat de grondslag voor de alleenstaande werkloze werknemer die met één of meerdere personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft lager is dan de grondslag voor degene die niet de woning met een ander deelt. Het aantal personen met wie de werkloze werknemer gezamenlijk hoofdverblijf heeft, is daarbij, anders dan in de Participatiewet, niet van belang. De grondslag van de IOAW-uitkering van de werkloze werknemer die met één of meerdere personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is in de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2019 stapsgewijs, met jaarlijks 5%, verlaagd van 70% naar 50% van het referentieminimumloon per persoon.
4.2.
Niet in geschil is dat de bij appellant inwonende dochter aangemerkt moet worden als een kostendelende medebewoner van appellant waardoor in beginsel de kostendelersnorm op de IOAW-uitkering van appellant van toepassing is. Ook de daarbij behorende uitkeringsgrondslag zoals door het college vastgesteld is niet in geschil.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, toepassing van de kostendelersnorm in zijn geval in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 van het EP). Appellant stelt zich op het standpunt dat toepassing van de kostendelersnorm in zijn geval niet proportioneel is omdat het tot een onevenredige en buitensporig zware last leidt in de zin van artikel 1 van het EP en dat de kostendelersnorm op die grond buiten toepassing moet blijven.
4.3.1.
In dit verband heeft appellant het volgende betoogd. De kostendelersnorm beoogt rekening te houden met een huurkostenvoordeel in geval van woningdeling, maar door de inwoning van zijn dochter heeft appellant geen huurkostenvoordeel, maar juist een huurkostennadeel. Door de inkomsten van zijn inwonende dochter ontvangt appellant vanaf 1 december 2016 geen huurtoeslag meer. Buiten de verlaging van zijn IOAW-uitkering door toepassing van de kostendelersnorm, die in 2016 5% bedroeg, loopt hij maandelijks een bedrag van ongeveer € 250,- aan huurtoeslag mis. Met dit dubbele inkomensnadeel heeft de wetgever bij de invoering van de kostendelersnorm geen rekening gehouden.
4.3.2.
Dit betoog treft geen doel. Doel van de kostendelersnorm is afstemming van de uitkeringsgrondslag op de behoeften van de betrokkene. Het feit dat appellant door de inwoning van zijn dochter geen huurtoeslag meer ontvangt, betekent niet dat de kostendelersnorm in verhouding tot dat doel een onevenredig zware last voor appellant meebrengt en evenmin dat die last voor appellant buitensporig zwaar is. Het wegvallen van de huurtoeslag staat los van de toepassing van de kostendelersnorm. Het houdt immers verband met het feit dat het totaal van de inkomsten van appellant en zijn dochter uitkomt boven de voor de huurtoeslag geldende inkomensgrens. Die gezamenlijke inkomsten worden toereikend geacht om de huur te voldoen. Vergelijk de uitspraak van 28 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:178. De kostendelersnorm houdt verband met het feit dat appellant wordt geacht zijn woonkosten met zijn dochter te kunnen delen en daardoor lagere woonkosten heeft dan iemand die niet de woning met een ander deelt. Op welke wijze zij de kosten delen, mede gelet op de hoogte het inkomen van zijn dochter, is aan hen. Het door appellant bedoelde dubbele inkomensnadeel leidt dan ook niet tot de conclusie dat de toepassing van de kostendelersnorm in zijn geval in strijd is met artikel 1 van het EP.
4.3.3.
Appellant heeft tevens betoogd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door hem op 6 november 2016 overgelegde financiële gegevens. Hieruit is volgens hem op te maken dat zijn maandelijkse kosten ongeveer € 900,- bedragen, te specificeren in: € 606,- aan huurkosten, € 164,- aan nutsvoorzieningen en € 130,- aan zorgpremie. Daarnaast betaalt appellant ongeveer € 300,- per maand aan zijn in Marokko levende echtgenote. De kosten van levensonderhoud voor appellant en zijn dochter heeft appellant op een bedrag van ongeveer € 250,- per maand gesteld. De totale gezinsinkomsten bedragen volgens appellant ongeveer € 2.950,- per maand en bestaan uit het netto-inkomen van de dochter van appellant van ongeveer € 2.100,- en uit de IOAW-uitkering van appellant van ongeveer € 850,-.
4.3.4.
Ook dit betoog treft geen doel. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de door appellant uiteengezette financiële situatie niet dat toepassing van de kostendelersnorm in zijn geval een buitensporig zware last voor hem meebrengt. In dit verband is van belang dat de aan appellant toegekende IOAW-uitkering berust op de grondslag dat appellant alleenstaand is. De uitkering wordt geacht toereikend te zijn voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten van appellant. De kosten van levensonderhoud van zijn echtgenote zijn daarin niet begrepen. Daarnaast wordt, zoals is besproken onder 4.3.2, de dochter van appellant geacht in de woonkosten te kunnen bijdragen. Tot slot is aannemelijk dat appellant, naast de door hem in het financieel overzicht vermelde inkomsten, ook zorgtoeslag ontvangt, zodat het verstrekte financiële overzicht niet compleet is. Ook de door appellant gestelde financiële situatie leidt, gelet op het voorgaande, niet tot de conclusie dat de toepassing van de kostendelersnorm in het geval van appellant in strijd is met artikel 1 van het EP.
4.4.
Uit 4.3.1 tot en met 4.3.4 volgt dat de onder 4.3 weergegeven beroepsgrond niet slaagt.
4.5.
Appellant heeft verder aangevoerd dat toepassing van de kostendelersnorm leidt tot rechtsongelijkheid in die zin, zo begrijpt de Raad, dat het afhankelijk is van de financiële situatie van de kostendelende medebewoner of een uitkeringsgerechtigde naast toepassing van de kostendelersnorm ook het wegvallen van de huurtoeslag heeft te verduren.
4.6.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder 4.3.2 is overwogen staat het wel of niet ontvangen van huurtoeslag los van de toepassing van de kostendelersnorm.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2021.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) R.B.E. van Nimwegen