Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-06-02
ECLI:NL:CRVB:2021:1371
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,531 tokens
Inleiding
19 1755 WAJONG, 19/1756 WAJONG
Datum uitspraak: 2 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 maart 2019, 18/1130 en 18/1131 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Namens appellante is via videobellen verschenen mr. L.M.E. Embregts, advocaat en kantoorgenoot van mr. Dacier. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
1.1.
Appellante ontvangt sinds 13 mei 2015 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1.2.
Op 23 november 2016 heeft de politie Eenheid Limburg in de kelder van de woning van appellante een in werking zijnde hennepkwekerij met 109 hennepplanten van ongeveer 4 weken oud aangetroffen. Appellante is op 29 november 2019 door de politie verhoord. Van het aantreffen van de hennepkwekerij en van het verhoor is proces-verbaal opgemaakt. Verder heeft de politie op 24 november 2016 een rapport ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ opgemaakt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is daarin vastgesteld op € 13.158,90, uitgaande van een ontnemingsperiode van 1 augustus 2016 tot 23 november 2016 en één eerdere oogst.
1.3.
Het Uwv heeft vervolgens onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante betaalde Wajong-uitkering en daarbij onder meer de in 1.2 genoemde informatie van de politie betrokken. Appellante is op 18 oktober 2017 door themaonderzoekers van het Uwv verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 17 november 2017.
1.4.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek heeft het Uwv de volgende besluiten genomen.
1.4.1.
Bij besluit van 8 februari 2018 (besluit 1) heeft het Uwv te kennen gegeven dat uit onderzoek is gebleken dat appellante in de periode van 3 augustus 2016 tot en met 22 november 2016 betrokken is geweest bij een hennepkwekerij, waarbij een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 12.978,- is vastgesteld. Dat is € 162,23 bruto per dag. De grondslag van de Wajong-uitkering van appelante bedraagt € 70,68 per dag. Appellante heeft niet gemeld dat zij inkomsten heeft gehad. In de periode van 3 augustus 2016 tot en met 22 november 2016 heeft appellante hierdoor een bedrag van € 4.533,07 (bruto) te veel aan uitkering ontvangen. Dit bedrag moet appellante aan het Uwv terugbetalen.
1.4.2.
Bij besluit van 15 februari 2018 (besluit 2) heeft het Uwv het bedrag van € 4.533,07 aan te veel ontvangen Wajong-uitkering van appellante ingevorderd.
1.5.
Bij besluiten van 13 april 2018 (bestreden besluit 1) en 16 april 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
1.6.
Bij strafbeschikking van 12 juni 2018 heeft de officier van justitie aan appellante een werkstraf van 50 uren opgelegd ter zake van medeplichtigheid aan opzettelijk bereiden, bewerken etc. van middelen op lijst II van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 23 november 2016. Appellante heeft hiertegen geen verzet ingesteld. De officier van justitie heeft geen ontnemingsvordering ingesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe – samengevat – het volgende overwogen. Niet in geschil is dat op 23 november 2016 in de woning van appellante een hennepkwekerij met 109 planten is aangetroffen en dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt. Gelet hierop heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van één eerdere oogst op grond waarvan de aanvang van de hennepkwekerij is vastgesteld op 1 augustus 2016. Appellante heeft niet aangetoond dat de hennepkwekerij later is gestart. De omstandigheden dat het Openbaar Ministerie is uitgegaan van een begindatum van 1 oktober 2016, dat appellante een strafbeschikking heeft ontvangen en dat geen ontnemingsvordering is ingesteld, leiden niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft terecht de uitbetaling van de Wajong-uitkering met toepassing van artikel 3:48 van de Wajong over de periode van 3 augustus 2016 tot en met 22 november 2016 herzien en op nihil vastgesteld. Ook heeft het Uwv terecht vastgesteld dat de over deze periode uitbetaalde Wajong-uitkering onverschuldigd is betaald. Het Uwv is verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep, zoals toegelicht ter zitting, het volgende aangevoerd. Het Uwv is ten onrechte uitgegaan van één eerdere oogst en van een startdatum van de hennepkwekerij van 1 augustus 2016. De aangetroffen hennepkwekerij was pas vier weken oud en appellante heeft zowel tijdens het politieverhoor als tegenover de onderzoekers van het Uwv verklaard dat zij de persoon die de kwekerij heeft opgezet pas in september/oktober 2016 heeft ontmoet. Appellante heeft verder verklaard dat zij € 1.000,- voor het opzetten van de hennepkwekerij zou ontvangen, maar dat ze dat bedrag nooit heeft gehad omdat er geen oogst is geweest. Het Openbaar Ministerie is in de strafbeschikking uitgegaan van de periode van 1 oktober 2016 tot en met 23 november 2016 en heeft geen ontnemingsvordering ingesteld. Het Uwv is bij de berekening van de terugvordering ten onrechte uitgegaan van de door de politie vastgestelde ontnemingsperiode en het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. De terugvordering raakt appellante onevenredig.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Op grond van artikel 3:74, eerste lid, van de Wajong is de jonggehandicapte verplicht aan het Uwv, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald.
4.1.2.
Artikel 3:48 van de Wajong bevat een regeling voor het geval een jonggehandicapte inkomen geniet door arbeid te gaan verrichten en bepaalt onder meer dat die inkomsten worden verrekend met de uitkering en dat de uitkering in zoverre niet wordt betaald.
4.1.3.
Op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wajong wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het zesde lid kan indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
4.2.
Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2708).
4.3.
Niet in geschil is dat op 23 november 2016 in de kelder van de woning van appellante een hennepkwekerij met 109 planten van ongeveer vier weken oud is aangetroffen. Evenmin is in hoger beroep nog in geschil dat appellante, door bij het Uwv geen melding te maken van inkomsten in verband met deze hennepkwekerij, de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 3:74, eerste lid, van de Wajong heeft geschonden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of appellante uit deze hennepkwekerij inkomsten heeft genoten. In dat kader is van belang de vraag, gelet op 4.2, of het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van één eerdere oogst in de periode van 3 augustus 2016 tot en met 22 november 2016.
4.4.
In dit geval heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat in de periode van 3 augustus 2016 tot en met 22 november 2016 sprake is geweest van een eerdere hennepkweek en oogst.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart de beroepen tegen de besluiten van 13 april 2018 en 16 april 2018 gegrond en vernietigt deze besluiten;
herroept de besluiten van 8 februari 2018 en 15 februari 2018 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 13 april 2018 en 16 april 2018;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.670,-;
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en M. Schoneveld en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) H. Spaargaren