Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-04-16
ECLI:NL:CRVB:2020:970
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
5,048 tokens
Inleiding
18/5564 AW, 18/5565 AW, 18/5566 AW, 18/5567 AW, 18/5568 AW, 18/5570 AW, 18/5571 AW, 18/5572 AW, 18/5573 AW, 18/5574 AW
Datum uitspraak: 16 april 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van17 september 2018, 17/974 tot en met 17/983 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
[betrokkene 1] te [woonplaats] en negen anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (betrokkenen)
Procesverloop
Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkenen heeft mr. A. Lange een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft het college nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2020. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, mr. J.T.M. van Doesum, S. Hooft en A.M. Niezen. Betrokkenen 1, 2, 4 tot en met 6, 8, en 9 zijn verschenen, bijgestaan door mr. Lange, die tevens de andere betrokkenen heeft vertegenwoordigd.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.
1.2.
Betrokkenen zijn in dienst bij de gemeente Amsterdam en zijn werkzaam in het stadsdeel [stadsdeel] , bij de afdeling [afdeling] , in de generieke functie van [generieke functie] , werktitel: [werktitel] . Betrokkenen ontvingen tot 1 juni 2016 op grond van de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI) een toeslag voor inconveniënten, naar MRI-klasse 1.
1.3.
Bij brieven van 8 maart 2016 is aan betrokkenen het voornemen kenbaar gemaakt de MRI-klasse met ingang van 1 juni 2016 te wijzigen naar klasse 2. Bijgevoegd was het typerings- en waarderingsformulier, waarop staat vermeld dat uitgangspunt van de meting is dat 50% van de gemiddelde werktijd wordt besteed aan onderhoud van de grotere arealen (buitengebieden), wat in totaal 18 punten oplevert, oftewel MRI-klasse 2.
1.4.
Tijdens een bijeenkomst op 9 maart 2016 en bij brieven van 10 maart 2016 heeft het college betrokkenen bericht dat bij de MRI-waardering ten onrechte de grotere arealen zijn meegenomen, aangezien de buitengebieden voor zeker 80% worden onderhouden door derden, wat betekent dat de werkzaamheden ten opzichte van de meting in 2011/2012 ongewijzigd zijn gebleven en de MRI-klasse gelijk blijft.
1.5.
Bij brieven van 11 maart 2016 is aan betrokkenen het (gewijzigde) voornemen kenbaar gemaakt om de toeslag ongewijzigd vast te stellen in MRI-klasse 1. Daarbij heeft het college nogmaals toegelicht dat eerder de buitengebieden ten onrechte waren meegenomen bij de waardering. De buitengebieden worden voor zeker 80% onderhouden door derden en niet door de groen medewerkers van [stadsdeel] . Dat betekent volgens het college dat de werkzaamheden ten opzichte van de meting 2011/2012 ongewijzigd zijn wat betreft de bezwarende werkomstandigheden en dat daarom de MRI-klasse gelijk blijft.
1.6.
Bij besluiten van 7 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 4 januari 2017 (bestreden besluiten) is vastgesteld dat per 1 juni 2016 voor betrokkenen MRI-klasse 1 van toepassing is en dat de MRI-toeslag niet wijzigt. Het vertrekpunt van het herijkingsonderzoek is het in 2012 vastgestelde MRI-formulier. Het college heeft onderzocht of er ten opzichte van 2012 aanzienlijke wijzigingen zijn in de zwaarte en duur van bezwarende taken die behoren bij de functie. Ook is gekeken of de omstandigheden waaronder de functie wordt uitgeoefend zijn veranderd. Verwezen is naar het MRI-typerings- en waarderingsformulier van de functie, met een totaal van 14 punten, wat correspondeert met MRI-klasse 1.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 3.2 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA), zoals deze bepaling luidde tot 1 juni 2016, hier van toepassing is. Uit de toelichting bij dit artikel volgt dat tussentijds uitsluitend bij gewijzigde omstandigheden wordt gekeken of de MRI-classificatie nog wel juist is, maar dat inconveniënten om de drie jaar opnieuw gewaardeerd moeten worden. Het college had daarom niet mogen volstaan met het ongewijzigd vaststellen van de MRI bij gebrek aan gewijzigde omstandigheden, zonder nieuw onderzoek te verrichten, met nieuwe vaststelling van scores. In ieder geval blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit de primaire besluiten, en evenmin uit de bestreden besluiten, dat het college de inconveniënten inhoudelijk opnieuw heeft geïnventariseerd en beoordeeld conform de methode voor het Rangordenen van Inconveniënten V013 (methode V013). Het college zal dit alsnog moeten gaan doen.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
Het betoog van het college dat artikel 3.14 van de NRGA zoals dat luidt sinds 1 juni 2016 van toepassing is op de hier aan de orde zijnde besluitvorming slaagt. Zowel de - formele - besluitvorming als de ingangsdatum van de toekenning van de nieuwe MRI-klasse dateren van na, onderscheidenlijk op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe NRGA. De Raad ziet daarom, anders dan de rechtbank, geen grond voor toepassing van artikel 3.2 van de NRGA zoals dat luidde tot 1 juni 2016. Uitsluitend het gegeven dat de voorbereiding van het besluit heeft plaatsgevonden in de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe NRGA maakt dit niet anders. Daar komt bij dat de methode V013 met de invoering van artikel 3.14 van de NRGA niet is gewijzigd.
3.2.
Met het college is de Raad van oordeel dat, noch uit artikel 3.14 van de NRGA, noch uit de toelichting op dit artikel, de verplichting voortvloeit dat het college iedere drie jaar een volledig nieuw herijkingsonderzoek, inclusief veldonderzoek, moet uitvoeren. De Raad ziet niet in waarom het college in beginsel niet mag uitgaan van de eerder vastgestelde
MRI-scores als uitgangspunt voor het nieuwe onderzoek. Als uit dit onderzoek naar voren komt dat geen sprake is van een substantiële wijziging en/of aanpassing van de taken en/of werkzaamheden of anderszins, ten opzichte van de eerder vastgestelde MRI-scores, dan heeft het doen van een volledig nieuw herijkingsonderzoek, inclusief veldonderzoek geen meerwaarde. Immers, dit kan dan niet leiden tot indeling in een andere MRI-klasse, omdat de methode V013 ten opzichte van het in 2011/2012 gehouden onderzoek niet is gewijzigd.
3.3.
Het college betoogt dat voldoende zorgvuldig onderzoek is verricht waaruit naar voren is gekomen dat geen sprake is van - substantiële - wijzigingen in zwaarte en duur van de bezwarende taken en/of de werkomstandigheden die maken dat de in 2012 toegekende
MRI-scores niet meer van toepassing zouden zijn. Dit betoog wordt onderschreven.
3.3.1.
Uit de stukken blijkt dat het vertrekpunt van het herijkingsonderzoek is geweest het in 2012 vastgestelde MRI-formulier. In het herijkingsonderzoek is onderzocht of, ten opzichte van 2012, aanzienlijke wijzigingen zijn in de zwaarte en duur van bezwarende taken die behoren bij de functie. Ook is bekeken of de omstandigheden waaronder de functie wordt uitgeoefend zijn veranderd. Om dit te bepalen heeft een MRI-deskundige één-op-één gesprekken gevoerd met de directe team- of ploegleider. Verder heeft het college onderzoek gedaan naar het effect op de MRI in het kader van het gescheiden inzamelen van hout en is onderzoek gedaan naar de arealen van stadsdeel [stadsdeel] in vergelijking met de stadsdelen Noord en Zuid-Oost waar het gaat om omvang en karakter van de te beheren gebieden en de werkzaamheden die in de buitengebieden worden gedaan. De Raad ziet geen aanknopingspunten om dit onderzoek onzorgvuldig te achten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 4 januari 2017 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Benek en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2020.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M. Buur
Lijst van betrokkenen:
Betrokkenen gemachtigde Procedurenummer hoger beroep
1) [betrokkene 1] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5564
2) [betrokkene 2] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5565
3) [betrokkene 3] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5566
4) [betrokkene 4] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5567
5) [betrokkene 5] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5568
6) [betrokkene 6] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5570
7) [betrokkene 7] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5571
8) [betrokkene 8] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5572
9) [betrokkene 9] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5573
10) [betrokkene 10] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5574
Inleiding
18/5564 AW, 18/5565 AW, 18/5566 AW, 18/5567 AW, 18/5568 AW, 18/5570 AW, 18/5571 AW, 18/5572 AW, 18/5573 AW, 18/5574 AW
Datum uitspraak: 16 april 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van17 september 2018, 17/974 tot en met 17/983 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
[betrokkene 1] te [woonplaats] en negen anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (betrokkenen)
Procesverloop
Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkenen heeft mr. A. Lange een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft het college nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2020. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, mr. J.T.M. van Doesum, S. Hooft en A.M. Niezen. Betrokkenen 1, 2, 4 tot en met 6, 8, en 9 zijn verschenen, bijgestaan door mr. Lange, die tevens de andere betrokkenen heeft vertegenwoordigd.
Overwegingen
1.1.
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.
1.2.
Betrokkenen zijn in dienst bij de gemeente Amsterdam en zijn werkzaam in het stadsdeel [stadsdeel] , bij de afdeling [afdeling] , in de generieke functie van [generieke functie] , werktitel: [werktitel] . Betrokkenen ontvingen tot 1 juni 2016 op grond van de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI) een toeslag voor inconveniënten, naar MRI-klasse 1.
1.3.
Bij brieven van 8 maart 2016 is aan betrokkenen het voornemen kenbaar gemaakt de MRI-klasse met ingang van 1 juni 2016 te wijzigen naar klasse 2. Bijgevoegd was het typerings- en waarderingsformulier, waarop staat vermeld dat uitgangspunt van de meting is dat 50% van de gemiddelde werktijd wordt besteed aan onderhoud van de grotere arealen (buitengebieden), wat in totaal 18 punten oplevert, oftewel MRI-klasse 2.
1.4.
Tijdens een bijeenkomst op 9 maart 2016 en bij brieven van 10 maart 2016 heeft het college betrokkenen bericht dat bij de MRI-waardering ten onrechte de grotere arealen zijn meegenomen, aangezien de buitengebieden voor zeker 80% worden onderhouden door derden, wat betekent dat de werkzaamheden ten opzichte van de meting in 2011/2012 ongewijzigd zijn gebleven en de MRI-klasse gelijk blijft.
1.5.
Bij brieven van 11 maart 2016 is aan betrokkenen het (gewijzigde) voornemen kenbaar gemaakt om de toeslag ongewijzigd vast te stellen in MRI-klasse 1. Daarbij heeft het college nogmaals toegelicht dat eerder de buitengebieden ten onrechte waren meegenomen bij de waardering. De buitengebieden worden voor zeker 80% onderhouden door derden en niet door de groen medewerkers van [stadsdeel] . Dat betekent volgens het college dat de werkzaamheden ten opzichte van de meting 2011/2012 ongewijzigd zijn wat betreft de bezwarende werkomstandigheden en dat daarom de MRI-klasse gelijk blijft.
1.6.
Bij besluiten van 7 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 4 januari 2017 (bestreden besluiten) is vastgesteld dat per 1 juni 2016 voor betrokkenen MRI-klasse 1 van toepassing is en dat de MRI-toeslag niet wijzigt. Het vertrekpunt van het herijkingsonderzoek is het in 2012 vastgestelde MRI-formulier. Het college heeft onderzocht of er ten opzichte van 2012 aanzienlijke wijzigingen zijn in de zwaarte en duur van bezwarende taken die behoren bij de functie. Ook is gekeken of de omstandigheden waaronder de functie wordt uitgeoefend zijn veranderd. Verwezen is naar het MRI-typerings- en waarderingsformulier van de functie, met een totaal van 14 punten, wat correspondeert met MRI-klasse 1.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en het college opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 3.2 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA), zoals deze bepaling luidde tot 1 juni 2016, hier van toepassing is. Uit de toelichting bij dit artikel volgt dat tussentijds uitsluitend bij gewijzigde omstandigheden wordt gekeken of de MRI-classificatie nog wel juist is, maar dat inconveniënten om de drie jaar opnieuw gewaardeerd moeten worden. Het college had daarom niet mogen volstaan met het ongewijzigd vaststellen van de MRI bij gebrek aan gewijzigde omstandigheden, zonder nieuw onderzoek te verrichten, met nieuwe vaststelling van scores. In ieder geval blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit de primaire besluiten, en evenmin uit de bestreden besluiten, dat het college de inconveniënten inhoudelijk opnieuw heeft geïnventariseerd en beoordeeld conform de methode voor het Rangordenen van Inconveniënten V013 (methode V013). Het college zal dit alsnog moeten gaan doen.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
Het betoog van het college dat artikel 3.14 van de NRGA zoals dat luidt sinds 1 juni 2016 van toepassing is op de hier aan de orde zijnde besluitvorming slaagt. Zowel de - formele - besluitvorming als de ingangsdatum van de toekenning van de nieuwe MRI-klasse dateren van na, onderscheidenlijk op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe NRGA. De Raad ziet daarom, anders dan de rechtbank, geen grond voor toepassing van artikel 3.2 van de NRGA zoals dat luidde tot 1 juni 2016. Uitsluitend het gegeven dat de voorbereiding van het besluit heeft plaatsgevonden in de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van de nieuwe NRGA maakt dit niet anders. Daar komt bij dat de methode V013 met de invoering van artikel 3.14 van de NRGA niet is gewijzigd.
3.2.
Met het college is de Raad van oordeel dat, noch uit artikel 3.14 van de NRGA, noch uit de toelichting op dit artikel, de verplichting voortvloeit dat het college iedere drie jaar een volledig nieuw herijkingsonderzoek, inclusief veldonderzoek, moet uitvoeren. De Raad ziet niet in waarom het college in beginsel niet mag uitgaan van de eerder vastgestelde
MRI-scores als uitgangspunt voor het nieuwe onderzoek. Als uit dit onderzoek naar voren komt dat geen sprake is van een substantiële wijziging en/of aanpassing van de taken en/of werkzaamheden of anderszins, ten opzichte van de eerder vastgestelde MRI-scores, dan heeft het doen van een volledig nieuw herijkingsonderzoek, inclusief veldonderzoek geen meerwaarde. Immers, dit kan dan niet leiden tot indeling in een andere MRI-klasse, omdat de methode V013 ten opzichte van het in 2011/2012 gehouden onderzoek niet is gewijzigd.
3.3.
Het college betoogt dat voldoende zorgvuldig onderzoek is verricht waaruit naar voren is gekomen dat geen sprake is van - substantiële - wijzigingen in zwaarte en duur van de bezwarende taken en/of de werkomstandigheden die maken dat de in 2012 toegekende
MRI-scores niet meer van toepassing zouden zijn. Dit betoog wordt onderschreven.
3.3.1.
Uit de stukken blijkt dat het vertrekpunt van het herijkingsonderzoek is geweest het in 2012 vastgestelde MRI-formulier. In het herijkingsonderzoek is onderzocht of, ten opzichte van 2012, aanzienlijke wijzigingen zijn in de zwaarte en duur van bezwarende taken die behoren bij de functie. Ook is bekeken of de omstandigheden waaronder de functie wordt uitgeoefend zijn veranderd. Om dit te bepalen heeft een MRI-deskundige één-op-één gesprekken gevoerd met de directe team- of ploegleider. Verder heeft het college onderzoek gedaan naar het effect op de MRI in het kader van het gescheiden inzamelen van hout en is onderzoek gedaan naar de arealen van stadsdeel [stadsdeel] in vergelijking met de stadsdelen Noord en Zuid-Oost waar het gaat om omvang en karakter van de te beheren gebieden en de werkzaamheden die in de buitengebieden worden gedaan. De Raad ziet geen aanknopingspunten om dit onderzoek onzorgvuldig te achten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 4 januari 2017 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Benek en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2020.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M. Buur
Lijst van betrokkenen:
Betrokkenen gemachtigde Procedurenummer hoger beroep
1) [betrokkene 1] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5564
2) [betrokkene 2] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5565
3) [betrokkene 3] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5566
4) [betrokkene 4] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5567
5) [betrokkene 5] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5568
6) [betrokkene 6] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5570
7) [betrokkene 7] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5571
8) [betrokkene 8] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5572
9) [betrokkene 9] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5573
10) [betrokkene 10] te [woonplaats] mr. A. de Lange 18/5574