Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-04-02
ECLI:NL:CRVB:2020:869
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
4,714 tokens
Inleiding
19/3088 AW
Datum uitspraak: 2 april 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 juni 2019, 18/3206 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Justitie en Veiligheid (Minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W. van der Meer de Walcheren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Meer de Walcheren. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Arts.
Overwegingen
1.1.
Appellant, geboren [in] 1952, was werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen in [naam instelling] . Na overleg op 3 maart 2005 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Ter uitvoering van deze overeenkomst is aan appellant bij besluit van 26 mei 2005 met ingang van 1 september 2005 ontslag verleend op grond van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Daarbij is vermeld dat dit gebeurt onder toekenning van de volgende voorzieningen:
- wachtgeldconforme uitkering met een uitkeringspercentage dat is gebaseerd op de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (BBWR);
- gedurende de uitkeringsduur wordt voor de helft pensioen opgebouwd;
- verrekening van neveninkomsten op basis van het Wachtgeldbesluit, waarbij bestaande neveninkomsten ongemoeid blijven en nieuwe inkomsten in mindering worden gebracht voor zover zij 100% van de laatste bezoldiging overschrijden;
- vrijstelling van de sollicitatieplicht en vrijstelling van de verplichting om in te schrijven bij het CWI als werkzoekende vanwege het starten van een eigen bedrijf;
- in verband met het ontslag wordt aan appellant ter compensatie van pensioenschade een bedrag van € 100.000,- uitbetaald. Dit bedrag kan appellant laten storten op de wijze zoals door hem wordt aangegeven, mits dit niet kostenverhogend werkt. Eventuele fiscale gevolgen zijn voor rekening van appellant;
- vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor zover deze niet door de rechtsbijstandverzekering worden gedekt;
- een goed getuigschrift.
1.2.
Bij brief van 24 augustus 2005 heeft de minister, op verzoek van het Uwv, aan appellant, kort samengevat en voor zover hier van belang, verduidelijkt dat:
- aan appellant een uitkering wordt toegekend op grond van een niet-wettelijke regeling die qua hoogte en duur overeenkomt met de WW/BW uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. De afgesproken regeling komt in de plaats van een WW uitkering;
- gedurende de uitkeringsduur vindt conform ter zake geldende wettelijke bepalingen, pensioenopbouw plaats totdat appellant de leeftijd van 62 jaar bereikt.
1.3.
Bij besluit van 15 november 2005 heeft het Uwv, onder verwijzing naar de gemaakte afspraken en het ontslagbesluit van 26 mei 2005, namens de minister aan appellant een uitkering toegekend. Hierin zijn de berekeningsgrondslag en het verloop van de uitkering opgenomen en is als einddatum [datum in] 2017 vermeld.
1.4.
Bij brief van 12 december 2017 heeft appellant de minister verzocht om de uitkering van 70% van de laatstelijk genoten bezoldiging te continueren tot de pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar en een maand, te weten [datum in] 2018.
1.5.
Bij besluit van 12 maart 2018 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen. Bij besluit van 22 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat partijen bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst de intentie hadden om wat betreft de hoogte en duur van de uitkering die aan appellant zou worden verstrekt, aan te sluiten bij het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (BBWR). Op dat moment was er geen vooruitzicht op een verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst stond in het BBWR expliciet de leeftijd van 65 jaar opgenomen, zodat naar het oordeel van de rechtbank de intentie van partijen toen geen andere kon zijn dan bij deze leeftijdsgrens aan te sluiten. In het dossier noch het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank aanwijzingen gevonden dat de bedoeling zou zijn geweest aan te sluiten bij een toen nog niet te verwachten wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Het is de rechtbank niet gebleken dat er andere verwachtingen zijn gewekt door de minister. Dat de betrokken bepalingen in het BBWR later, naar aanleiding van de wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd, zijn gewijzigd, maakt het vorenstaande niet anders. Nu naar het oordeel van de rechtbank de intentie van partijen niet een andere kon zijn dan voor de einddatum van de uitkering aan te sluiten bij de leeftijd van 65 jaar, ziet de rechtbank geen aanleiding om gebruik te maken van het aanbod van appellant hierover nog getuigen te horen. Dit betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet te komen tot het oordeel dat uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeit dat de uitkering aan appellant dient door te lopen tot hij de thans voor hem geldende AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. De latere wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd en de in verband daarmee gewijzigde bepalingen van het BBWR zijn naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan te merken als bijzondere omstandigheden die maken dat nakoming van de afspraken niet meer in redelijkheid kan worden verlangd. Een andere uitleg zou in strijd komen met het rechtszekerheidsbeginsel.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) worden afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt. Dit kan anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet of niet meer in redelijkheid kan worden verlangd. Bij de uitleg van de ontslagovereenkomst komt het volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:290) niet uitsluitend aan op de bewoordingen van wat daarin is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.2.
Appellant heeft betoogd dat het nooit de wil of bedoeling van partijen is geweest om een hiaat van een jaar te laten ontstaan tussen het einde van de uitkering en de AOW-gerechtigde leeftijd. Hij heeft er in dit kader op gewezen dat in de afspraken geen einddatum is genoemd, maar uitsluitend is verwezen naar het BWWR. Het is dan ook de bedoeling van partijen geweest om de uitkering door te laten lopen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, aldus appellant. Dit betoog wordt niet gevolgd. Uit de brief van 3 maart 2005, waarin is samengevat wat er in het kader van het overleg over de vaststellingsovereenkomst is besproken, is af te leiden dat aan appellant een afschrift van het BWWR, zoals dat destijds luidde, is gezonden. In de artikelen 2 en 8 van het BWWR was, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, expliciet de leeftijd van 65 jaar opgenomen. Daaruit blijkt de intentie om wat betreft de duur en hoogte van de uitkering aan te sluiten bij het BWWR zoals dat destijds luidde. De Raad deelt de opvatting van de minister dat daarmee eventuele latere wijzigingen van het BWWR, waarvan de aard en strekking op dat moment nog ongewis was, door partijen van doorwerking zijn uitgesloten. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het Uwv, namens de minister, appellant bij het toekenningsbesluit van 15 november 2005 op de hoogte heeft gesteld van de berekeningsgrondslag en het verloop van de uitkering. Nu de einddatum van [datum in] 2017 hierin uitdrukkelijk is genoemd, kan die datum worden geacht deel uit te maken van de gemaakte afspraken.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2020.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) R.I.S. van Haaren
Inleiding
19/3088 AW
Datum uitspraak: 2 april 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 juni 2019, 18/3206 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Justitie en Veiligheid (Minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W. van der Meer de Walcheren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Meer de Walcheren. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Arts.
Overwegingen
1.1.
Appellant, geboren [in] 1952, was werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen in [naam instelling] . Na overleg op 3 maart 2005 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Ter uitvoering van deze overeenkomst is aan appellant bij besluit van 26 mei 2005 met ingang van 1 september 2005 ontslag verleend op grond van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Daarbij is vermeld dat dit gebeurt onder toekenning van de volgende voorzieningen:
- wachtgeldconforme uitkering met een uitkeringspercentage dat is gebaseerd op de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (BBWR);
- gedurende de uitkeringsduur wordt voor de helft pensioen opgebouwd;
- verrekening van neveninkomsten op basis van het Wachtgeldbesluit, waarbij bestaande neveninkomsten ongemoeid blijven en nieuwe inkomsten in mindering worden gebracht voor zover zij 100% van de laatste bezoldiging overschrijden;
- vrijstelling van de sollicitatieplicht en vrijstelling van de verplichting om in te schrijven bij het CWI als werkzoekende vanwege het starten van een eigen bedrijf;
- in verband met het ontslag wordt aan appellant ter compensatie van pensioenschade een bedrag van € 100.000,- uitbetaald. Dit bedrag kan appellant laten storten op de wijze zoals door hem wordt aangegeven, mits dit niet kostenverhogend werkt. Eventuele fiscale gevolgen zijn voor rekening van appellant;
- vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor zover deze niet door de rechtsbijstandverzekering worden gedekt;
- een goed getuigschrift.
1.2.
Bij brief van 24 augustus 2005 heeft de minister, op verzoek van het Uwv, aan appellant, kort samengevat en voor zover hier van belang, verduidelijkt dat:
- aan appellant een uitkering wordt toegekend op grond van een niet-wettelijke regeling die qua hoogte en duur overeenkomt met de WW/BW uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk. De afgesproken regeling komt in de plaats van een WW uitkering;
- gedurende de uitkeringsduur vindt conform ter zake geldende wettelijke bepalingen, pensioenopbouw plaats totdat appellant de leeftijd van 62 jaar bereikt.
1.3.
Bij besluit van 15 november 2005 heeft het Uwv, onder verwijzing naar de gemaakte afspraken en het ontslagbesluit van 26 mei 2005, namens de minister aan appellant een uitkering toegekend. Hierin zijn de berekeningsgrondslag en het verloop van de uitkering opgenomen en is als einddatum [datum in] 2017 vermeld.
1.4.
Bij brief van 12 december 2017 heeft appellant de minister verzocht om de uitkering van 70% van de laatstelijk genoten bezoldiging te continueren tot de pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar en een maand, te weten [datum in] 2018.
1.5.
Bij besluit van 12 maart 2018 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen. Bij besluit van 22 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat partijen bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst de intentie hadden om wat betreft de hoogte en duur van de uitkering die aan appellant zou worden verstrekt, aan te sluiten bij het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (BBWR). Op dat moment was er geen vooruitzicht op een verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst stond in het BBWR expliciet de leeftijd van 65 jaar opgenomen, zodat naar het oordeel van de rechtbank de intentie van partijen toen geen andere kon zijn dan bij deze leeftijdsgrens aan te sluiten. In het dossier noch het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank aanwijzingen gevonden dat de bedoeling zou zijn geweest aan te sluiten bij een toen nog niet te verwachten wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd. Het is de rechtbank niet gebleken dat er andere verwachtingen zijn gewekt door de minister. Dat de betrokken bepalingen in het BBWR later, naar aanleiding van de wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd, zijn gewijzigd, maakt het vorenstaande niet anders. Nu naar het oordeel van de rechtbank de intentie van partijen niet een andere kon zijn dan voor de einddatum van de uitkering aan te sluiten bij de leeftijd van 65 jaar, ziet de rechtbank geen aanleiding om gebruik te maken van het aanbod van appellant hierover nog getuigen te horen. Dit betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet te komen tot het oordeel dat uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeit dat de uitkering aan appellant dient door te lopen tot hij de thans voor hem geldende AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. De latere wijziging van de AOW-gerechtigde leeftijd en de in verband daarmee gewijzigde bepalingen van het BBWR zijn naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan te merken als bijzondere omstandigheden die maken dat nakoming van de afspraken niet meer in redelijkheid kan worden verlangd. Een andere uitleg zou in strijd komen met het rechtszekerheidsbeginsel.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) worden afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat zowel voor het bestuursorgaan als voor de ambtenaar geldt. Dit kan anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet of niet meer in redelijkheid kan worden verlangd. Bij de uitleg van de ontslagovereenkomst komt het volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:290) niet uitsluitend aan op de bewoordingen van wat daarin is bepaald, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.2.
Appellant heeft betoogd dat het nooit de wil of bedoeling van partijen is geweest om een hiaat van een jaar te laten ontstaan tussen het einde van de uitkering en de AOW-gerechtigde leeftijd. Hij heeft er in dit kader op gewezen dat in de afspraken geen einddatum is genoemd, maar uitsluitend is verwezen naar het BWWR. Het is dan ook de bedoeling van partijen geweest om de uitkering door te laten lopen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, aldus appellant. Dit betoog wordt niet gevolgd. Uit de brief van 3 maart 2005, waarin is samengevat wat er in het kader van het overleg over de vaststellingsovereenkomst is besproken, is af te leiden dat aan appellant een afschrift van het BWWR, zoals dat destijds luidde, is gezonden. In de artikelen 2 en 8 van het BWWR was, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, expliciet de leeftijd van 65 jaar opgenomen. Daaruit blijkt de intentie om wat betreft de duur en hoogte van de uitkering aan te sluiten bij het BWWR zoals dat destijds luidde. De Raad deelt de opvatting van de minister dat daarmee eventuele latere wijzigingen van het BWWR, waarvan de aard en strekking op dat moment nog ongewis was, door partijen van doorwerking zijn uitgesloten. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het Uwv, namens de minister, appellant bij het toekenningsbesluit van 15 november 2005 op de hoogte heeft gesteld van de berekeningsgrondslag en het verloop van de uitkering. Nu de einddatum van [datum in] 2017 hierin uitdrukkelijk is genoemd, kan die datum worden geacht deel uit te maken van de gemaakte afspraken.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2020.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) R.I.S. van Haaren