Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-03-26
ECLI:NL:CRVB:2020:787
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
4,914 tokens
Inleiding
19/2319 AW, 19/2320 AW, 19/2321 AW, 19/2322 AW
Datum uitspraak: 26 maart 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 april 2019, 18/742, 18/743, 18/744, 18/4105 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1),
[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2),
[appellant 3] te [woonplaats 3] (appellant 3),
[appellant 4] te [woonplaats 4] (appellant 4)
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. L.M. Hoogeveen hoger beroep ingesteld.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 18/6508 AW plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hoogeveen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Nederlof, M. Coffeng en E.J.W.M. van Kuik.
In de zaak 18/6508 AW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.
2.1.
Appellanten waren sinds 1980 onderscheidenlijk 1995, 1984 en 1981 werkzaam bij de (rechtsvoorgangers van de) [naam werkgever] ( [werkgever] ), laatstelijk als [naam functie] bij het team [team X.] . Naar aanleiding van een melding over mogelijk niet integer handelen heeft de interne auditdienst een onderzoek ingesteld en op 22 april 2016 in (geïndividualiseerde) nota’s van bevindingen daarover gerapporteerd. Op 1 juli 2016 is door een extern onderzoeksbureau een feitenonderzoek gestart. Appellanten zijn hierover bij brieven van 13 januari 2017 geïnformeerd. De resultaten van het feitenonderzoek zijn neergelegd in een op 26 april 2017 vastgesteld rapport.
2.2.
Bij besluiten van 26 januari 2017 heeft de minister met toepassing van artikel 33e, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aan appellanten per 25 januari 2017 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging.
2.3.
Na de voornemens daartoe aan appellanten bekend te hebben gemaakt, het buitengewoon verlof met toepassing van artikel 91 van het ARAR omgezet te hebben in een schorsing en kennis te hebben genomen van de zienswijzen van appellanten over het voorgenomen ontslag, heeft de minister bij besluiten van 21 juni 2017 met toepassing van de artikelen 80 en 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR appellanten wegens zeer ernstig plichtsverzuim per 1 juli 2017 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Appellanten wordt verweten dat zij in de periode van 1 juni 2015 tot 1 november 2016:
a. in strijd met de waarheid structureel - in totaal minimaal 202 onderscheidenlijk 165, 163 en 255 - uren als werktijd hebben opgegeven die zij feitelijk niet hebben gewerkt;
b. ten onrechte en in strijd met de waarheid declaraties hebben ingediend voor 53,5 onderscheidenlijk 32,25, 49,25 en 66,5 verschoven uren die zij feitelijk niet hebben gewerkt;
c. ten onrechte 10 onderscheidenlijk 39, 1 en 1 lunchvergoeding(en) hebben gedeclareerd;
d. het onaanvaardbare risico hebben genomen om de goede naam van de [werkgever] als fatsoenlijke en integere overheidsorganisatie te schaden;
e. de werkgever voor een bedrag van minimaal € 6.669,15 onderscheidenlijk € 5.750,17,
€ 5.352,20 en € 9.086,80 hebben benadeeld.
Appellant 4 wordt daarnaast nog verweten dat hij in de genoemde periode ten onrechte en in strijd met de waarheid declaraties heeft ingediend voor ten minste 96 onregelmatig gewerkte uren, die hij feitelijk niet heeft gewerkt, en de toeslagen daarover.
2.4.
Bij besluiten van 27 december 2017 (bestreden besluiten) heeft de minister de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat en voor zover in hoger beroep van belang - overwogen dat de regelgeving over het registreren van de werktijd niet onduidelijk is, dat appellanten gelet op diverse documenten ervan op de hoogte hadden kunnen en moeten zijn dat niet de roostertijd maar de feitelijk gewerkte tijd moest worden geregistreerd en dat reistijd weliswaar als werktijd werd gezien maar apart geregistreerd moest worden. De rechtbank acht de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Gelet op de schaal en de spreiding over de gehele onderzochte periode staat voor de rechtbank vast dat sprake is geweest van het stelselmatig schrijven van uren en van declaraties waarvan appellanten wisten of behoorden te weten dat zij daar geen aanspraak op hadden.
4. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2556) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
5.2.
Appellanten hebben erkend dat zij de verweten gedragingen hebben begaan. Verder hebben zij ter zitting van de Raad verklaard niet te betwisten dat zij zich daarmee schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim. De minister heeft de in 2.3 genoemde gedragingen daarom terecht aangemerkt als plichtsverzuim. De minister was bevoegd appellanten hiervoor disciplinair te straffen.
5.3.
Appellanten hebben betoogd dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat de regels over de registratie van de roostertijd als werktijd en over het eerder mogen verlaten van keuringsstations onduidelijk zijn, dat zij daarom hun werk- en reistijd verkeerd hebben geregistreerd, dat van kwade opzet geen sprake was en dat zij er door hun leidinggevende al veel eerder op hadden kunnen worden gewezen dat zij hun werk- en reistijd foutief registreerden. Volgens appellanten had de minister bij de bepaling van de strafmaat met dit alles rekening moeten houden.
5.4.
De Raad stelt allereerst vast dat de gedragingen die appellanten worden verweten, behoudens de in 2.3 onder c genoemde gedraging (en de doorwerking daarvan in de onder d en e genoemde verwijten), alle het gevolg zijn van de wijze waarop appellanten hun werk- en reistijd registreerden. Appellanten gingen voor het einde van hun roostertijd weg bij het keuringsstation, maar registreerden wel de hele roostertijd als werktijd. Op deze wijze hebben appellanten feitelijk niet gewerkte uren als werktijd geregistreerd. Daarnaast hebben appellanten te veel tijd als reistijd geregistreerd. Weliswaar was voor appellanten reistijd werktijd, maar enkel de daadwerkelijke reistijd mocht met de voor reistijd bedoelde code worden geregistreerd. Andere werktijd moest met een andere code worden geregistreerd.
5.5.
Anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat het hen duidelijk had kunnen en moeten zijn dat zij hun werk- en reistijd verkeerd registreerden, dat zij alleen de feitelijk gewerkte uren als werktijd mochten registreren, dat zij bij het eerder verlaten van keuringsstations verlofuren dienden op te nemen en dat zij alleen de werkelijke reistijd tussen woonadres en werklocatie als werktijd mochten registreren. Voor zover dit appellanten al niet had kunnen blijken uit de Werktijdenregeling [werkgever] , de toelichting hierop, de Startbrochure [werkgever] , de Personeelsbrochure [werkgever] en de Handleiding tijdschrijven [Z.] - waar in paragraaf 1.2 staat dat gewerkte uren worden geregistreerd op de tijdstippen dat deze feitelijk gewerkt zijn -, had hen in ieder geval uit de e-mails van hun leidinggevende van 5 juni 2014 en 31 maart 2015 duidelijk kunnen en moeten zijn hoe zij hun werk- en reistijd hadden moeten registreren. Daar komt bij dat voor zover appellanten de regels onduidelijk vonden, zij zich met hun vragen hadden moeten wenden tot hun leidinggevende en/of personeelszaken. In de genoemde e-mails worden de medewerkers daartoe ook uitgenodigd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.
(getekend) H. Lagas
(getekend) F. Demiroğlu
Inleiding
19/2319 AW, 19/2320 AW, 19/2321 AW, 19/2322 AW
Datum uitspraak: 26 maart 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 april 2019, 18/742, 18/743, 18/744, 18/4105 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1),
[appellant 2] te [woonplaats 2] (appellant 2),
[appellant 3] te [woonplaats 3] (appellant 3),
[appellant 4] te [woonplaats 4] (appellant 4)
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. L.M. Hoogeveen hoger beroep ingesteld.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 18/6508 AW plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hoogeveen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Nederlof, M. Coffeng en E.J.W.M. van Kuik.
In de zaak 18/6508 AW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.
2.1.
Appellanten waren sinds 1980 onderscheidenlijk 1995, 1984 en 1981 werkzaam bij de (rechtsvoorgangers van de) [naam werkgever] ( [werkgever] ), laatstelijk als [naam functie] bij het team [team X.] . Naar aanleiding van een melding over mogelijk niet integer handelen heeft de interne auditdienst een onderzoek ingesteld en op 22 april 2016 in (geïndividualiseerde) nota’s van bevindingen daarover gerapporteerd. Op 1 juli 2016 is door een extern onderzoeksbureau een feitenonderzoek gestart. Appellanten zijn hierover bij brieven van 13 januari 2017 geïnformeerd. De resultaten van het feitenonderzoek zijn neergelegd in een op 26 april 2017 vastgesteld rapport.
2.2.
Bij besluiten van 26 januari 2017 heeft de minister met toepassing van artikel 33e, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aan appellanten per 25 januari 2017 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging.
2.3.
Na de voornemens daartoe aan appellanten bekend te hebben gemaakt, het buitengewoon verlof met toepassing van artikel 91 van het ARAR omgezet te hebben in een schorsing en kennis te hebben genomen van de zienswijzen van appellanten over het voorgenomen ontslag, heeft de minister bij besluiten van 21 juni 2017 met toepassing van de artikelen 80 en 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR appellanten wegens zeer ernstig plichtsverzuim per 1 juli 2017 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Appellanten wordt verweten dat zij in de periode van 1 juni 2015 tot 1 november 2016:
a. in strijd met de waarheid structureel - in totaal minimaal 202 onderscheidenlijk 165, 163 en 255 - uren als werktijd hebben opgegeven die zij feitelijk niet hebben gewerkt;
b. ten onrechte en in strijd met de waarheid declaraties hebben ingediend voor 53,5 onderscheidenlijk 32,25, 49,25 en 66,5 verschoven uren die zij feitelijk niet hebben gewerkt;
c. ten onrechte 10 onderscheidenlijk 39, 1 en 1 lunchvergoeding(en) hebben gedeclareerd;
d. het onaanvaardbare risico hebben genomen om de goede naam van de [werkgever] als fatsoenlijke en integere overheidsorganisatie te schaden;
e. de werkgever voor een bedrag van minimaal € 6.669,15 onderscheidenlijk € 5.750,17,
€ 5.352,20 en € 9.086,80 hebben benadeeld.
Appellant 4 wordt daarnaast nog verweten dat hij in de genoemde periode ten onrechte en in strijd met de waarheid declaraties heeft ingediend voor ten minste 96 onregelmatig gewerkte uren, die hij feitelijk niet heeft gewerkt, en de toeslagen daarover.
2.4.
Bij besluiten van 27 december 2017 (bestreden besluiten) heeft de minister de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat en voor zover in hoger beroep van belang - overwogen dat de regelgeving over het registreren van de werktijd niet onduidelijk is, dat appellanten gelet op diverse documenten ervan op de hoogte hadden kunnen en moeten zijn dat niet de roostertijd maar de feitelijk gewerkte tijd moest worden geregistreerd en dat reistijd weliswaar als werktijd werd gezien maar apart geregistreerd moest worden. De rechtbank acht de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Gelet op de schaal en de spreiding over de gehele onderzochte periode staat voor de rechtbank vast dat sprake is geweest van het stelselmatig schrijven van uren en van declaraties waarvan appellanten wisten of behoorden te weten dat zij daar geen aanspraak op hadden.
4. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2556) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
5.2.
Appellanten hebben erkend dat zij de verweten gedragingen hebben begaan. Verder hebben zij ter zitting van de Raad verklaard niet te betwisten dat zij zich daarmee schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim. De minister heeft de in 2.3 genoemde gedragingen daarom terecht aangemerkt als plichtsverzuim. De minister was bevoegd appellanten hiervoor disciplinair te straffen.
5.3.
Appellanten hebben betoogd dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat de regels over de registratie van de roostertijd als werktijd en over het eerder mogen verlaten van keuringsstations onduidelijk zijn, dat zij daarom hun werk- en reistijd verkeerd hebben geregistreerd, dat van kwade opzet geen sprake was en dat zij er door hun leidinggevende al veel eerder op hadden kunnen worden gewezen dat zij hun werk- en reistijd foutief registreerden. Volgens appellanten had de minister bij de bepaling van de strafmaat met dit alles rekening moeten houden.
5.4.
De Raad stelt allereerst vast dat de gedragingen die appellanten worden verweten, behoudens de in 2.3 onder c genoemde gedraging (en de doorwerking daarvan in de onder d en e genoemde verwijten), alle het gevolg zijn van de wijze waarop appellanten hun werk- en reistijd registreerden. Appellanten gingen voor het einde van hun roostertijd weg bij het keuringsstation, maar registreerden wel de hele roostertijd als werktijd. Op deze wijze hebben appellanten feitelijk niet gewerkte uren als werktijd geregistreerd. Daarnaast hebben appellanten te veel tijd als reistijd geregistreerd. Weliswaar was voor appellanten reistijd werktijd, maar enkel de daadwerkelijke reistijd mocht met de voor reistijd bedoelde code worden geregistreerd. Andere werktijd moest met een andere code worden geregistreerd.
5.5.
Anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat het hen duidelijk had kunnen en moeten zijn dat zij hun werk- en reistijd verkeerd registreerden, dat zij alleen de feitelijk gewerkte uren als werktijd mochten registreren, dat zij bij het eerder verlaten van keuringsstations verlofuren dienden op te nemen en dat zij alleen de werkelijke reistijd tussen woonadres en werklocatie als werktijd mochten registreren. Voor zover dit appellanten al niet had kunnen blijken uit de Werktijdenregeling [werkgever] , de toelichting hierop, de Startbrochure [werkgever] , de Personeelsbrochure [werkgever] en de Handleiding tijdschrijven [Z.] - waar in paragraaf 1.2 staat dat gewerkte uren worden geregistreerd op de tijdstippen dat deze feitelijk gewerkt zijn -, had hen in ieder geval uit de e-mails van hun leidinggevende van 5 juni 2014 en 31 maart 2015 duidelijk kunnen en moeten zijn hoe zij hun werk- en reistijd hadden moeten registreren. Daar komt bij dat voor zover appellanten de regels onduidelijk vonden, zij zich met hun vragen hadden moeten wenden tot hun leidinggevende en/of personeelszaken. In de genoemde e-mails worden de medewerkers daartoe ook uitgenodigd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.
(getekend) H. Lagas
(getekend) F. Demiroğlu