Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-03-03
ECLI:NL:CRVB:2020:532
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,910 tokens
Inleiding
186409 PW
Datum uitspraak: 3 maart 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
31 oktober 2018, 18/1671 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 17/4125 PW. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Heer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij en J.A. Flapper. In de zaak 17/4125 PW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 31 oktober 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie van appellante en haar ex-partner (S) zijn kinderen geboren, waaronder de in 2006 geboren bij appellante inwonende zoon.
1.2.
In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek zijn bankafschriften van appellante en van haar inwonende minderjarige zoon opgevraagd. Op de SNS-rekening van appellante en op de SNS-rekening van haar zoon zijn in de periode van mei 2015 tot en met december 2016 bedragen variërend van € 14,- tot een totaalbedrag van € 1.329,- per maand bijgeschreven door S en door de meerderjarige dochters van appellante en S. De sociale recherche heeft appellante op 3 en 7 april 2017 gehoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 september 2017.
1.3.
Bij besluit van 12 december 2017 heeft het college de bijstand van appellante over veertien maanden, gelegen in de periode van 1 mei 2015 tot en met 31 december 2016, herzien en over de maand juni 2016 ingetrokken. De over deze maanden gemaakte kosten van bijstand heeft het college van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 5.866,84. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de bijschrijvingen op de bankrekeningen van appellante en van haar zoon als inkomen van appellante moeten worden aangemerkt en op haar bijstand in mindering moeten worden gebracht.
1.4.
Bij besluit van 15 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2017 gegrond verklaard voor zover de bijstand over de maanden oktober en december 2015 was herzien en de terugvordering verlaagd tot € 5.561,54.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Bijschrijvingen op de bankrekening op naam van de zoon
4.1.1.
Vaststaat dat S op naam van zijn zoon bij de SNS-bank een spaarrekening heeft geopend en dat hierop onder andere de kinderbijslag voor deze zoon werd overgemaakt. Ook staat vast dat zowel appellante als S op deze rekening bedragen hebben bijgeschreven en dat van deze rekening bedragen zijn afgeschreven naar bankrekeningen op naam van appellante en op naam van S.
4.1.2.
Appellante heeft over het gebruik van deze rekening op 3 en 7 april 2017 tegenover de sociale recherche verklaard dat zij en S voor de betaling van hun rekeningen in onderling overleg gebruik kunnen maken van het saldo op deze bankrekening. De rekening is bedoeld om de gezamenlijke schulden te kunnen betalen. Als appellante een rekening niet kan betalen gebruikt zij de rekening. De dochter van appellante en S regelt, als haar daarom wordt gevraagd, het internetbankieren voor appellante en S.
4.1.3.
Het college heeft alleen de door S op de rekening bijgeschreven bedragen, die maandelijks in hoogte varieerden van € 60,- tot € 840,-, in mindering gebracht op de bijstand van appellante.
4.1.4.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7177) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam staat van een inwonend, minderjarig kind van de betrokkene de vooronderstelling dat de betrokkene redelijkerwijs over het tegoed op die rekening kan beschikken. Het is aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.
4.1.5.
Uit 4.1.1 en de onder 4.1.2 vermelde verklaringen van appellante volgt, anders dan zij heeft aangevoerd, dat zij de volledige beschikkingsmacht had over deze bankrekening. Dat zij eerst na overleg met S bedragen kon overschrijven naar haar eigen rekening of naar derden maakt niet dat zij beperkt was in de beschikkingsmacht over het tegoed op deze rekening. De door de dochter van appellante geboden hulp bij het overboeken van gelden met internetbankieren betekent niet dat appellante daardoor beperkt was in de beschikkingsmacht over deze rekening. Tot slot kan de stelling van appellante dat de afschrijvingen van deze rekening naar de persoonlijke rekening van S direct samenhangen met zijn bijschrijvingen op deze rekening niet worden gevolgd. Uit de geldstromen op de bankafschriften is een dergelijke samenhang niet af te leiden.
4.1.6.
Uit 4.1.1 tot en met 4.1.5 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante kon beschikken over de bijschrijvingen van S op de bankrekening zodat deze als inkomen op de bijstand van appellante in mindering moeten worden gebracht. Nu appellante hierover bij het college geen melding heeft gedaan, heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden en was het college verplicht om de bijstand te herzien over de maanden waarop de bijschrijvingen van S zien.
Bijschrijvingen op de bankrekening op naam van appellante
4.2.1.
Vaststaat dat S en de twee meerderjarige dochters van appellante regelmatig bedragen hebben bijgeschreven op de bankrekening op naam van appellante en dat appellante dit niet bij het college heeft gemeld.
4.2.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.
4.2.3.
Uit 4.2.2 volgt dat de bijschrijvingen van S en de twee meerderjarige dochters van appellante in beginsel als inkomen bij de bijstandsverlening van appellante moeten worden betrokken. Dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, schulden had waardoor zij met haar bijstand niet uitkwam en de bijschrijvingen gebruikte voor de betaling van de schulden en andere noodzakelijke uitgaven, betekent niet dat de bijschrijvingen niet als inkomen aan haar kunnen worden toegerekend.
4.2.4.
Verder heeft appellante nog aangevoerd dat de door de dochters bijgeschreven bedragen als leningen en niet als inkomen zijn aan te merken omdat de bijschrijvingen betrekking hebben op een periode waarin zij geen bijstand ontving. Deze beroepsgrond slaagt niet op grond van het volgende.
4.2.5.
Weliswaar heeft appellante in verband met een in haar woning aangetroffen hennepkwekerij in de maanden februari 2016 tot halverwege juli 2016 geen bijstand ontvangen, maar dit betekent niet zonder meer dat in die periode bijgeschreven bedragen niet als inkomen zijn aan te merken. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3508), moet een betrokkene die zich erop beroept leningen te hebben afgesloten voor levensonderhoud in een periode dat hij geen bijstand ontving aannemelijk maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat de betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij leningen heeft ontvangen, dat bij de betaling en niet later de afspraak is gemaakt dat het een lening is en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud is bedoeld.
Conclusie
4.3.
Uit 4.1.1 tot en met 4.2.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en G.M.G. Hink en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2020.
(getekend) J.N.A. Bootsma
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Inleiding
186409 PW
Datum uitspraak: 3 maart 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
31 oktober 2018, 18/1671 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. T. de Heer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 17/4125 PW. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Heer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. Versneij en J.A. Flapper. In de zaak 17/4125 PW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving vanaf 31 oktober 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie van appellante en haar ex-partner (S) zijn kinderen geboren, waaronder de in 2006 geboren bij appellante inwonende zoon.
1.2.
In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek zijn bankafschriften van appellante en van haar inwonende minderjarige zoon opgevraagd. Op de SNS-rekening van appellante en op de SNS-rekening van haar zoon zijn in de periode van mei 2015 tot en met december 2016 bedragen variërend van € 14,- tot een totaalbedrag van € 1.329,- per maand bijgeschreven door S en door de meerderjarige dochters van appellante en S. De sociale recherche heeft appellante op 3 en 7 april 2017 gehoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 september 2017.
1.3.
Bij besluit van 12 december 2017 heeft het college de bijstand van appellante over veertien maanden, gelegen in de periode van 1 mei 2015 tot en met 31 december 2016, herzien en over de maand juni 2016 ingetrokken. De over deze maanden gemaakte kosten van bijstand heeft het college van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 5.866,84. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat de bijschrijvingen op de bankrekeningen van appellante en van haar zoon als inkomen van appellante moeten worden aangemerkt en op haar bijstand in mindering moeten worden gebracht.
1.4.
Bij besluit van 15 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2017 gegrond verklaard voor zover de bijstand over de maanden oktober en december 2015 was herzien en de terugvordering verlaagd tot € 5.561,54.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Bijschrijvingen op de bankrekening op naam van de zoon
4.1.1.
Vaststaat dat S op naam van zijn zoon bij de SNS-bank een spaarrekening heeft geopend en dat hierop onder andere de kinderbijslag voor deze zoon werd overgemaakt. Ook staat vast dat zowel appellante als S op deze rekening bedragen hebben bijgeschreven en dat van deze rekening bedragen zijn afgeschreven naar bankrekeningen op naam van appellante en op naam van S.
4.1.2.
Appellante heeft over het gebruik van deze rekening op 3 en 7 april 2017 tegenover de sociale recherche verklaard dat zij en S voor de betaling van hun rekeningen in onderling overleg gebruik kunnen maken van het saldo op deze bankrekening. De rekening is bedoeld om de gezamenlijke schulden te kunnen betalen. Als appellante een rekening niet kan betalen gebruikt zij de rekening. De dochter van appellante en S regelt, als haar daarom wordt gevraagd, het internetbankieren voor appellante en S.
4.1.3.
Het college heeft alleen de door S op de rekening bijgeschreven bedragen, die maandelijks in hoogte varieerden van € 60,- tot € 840,-, in mindering gebracht op de bijstand van appellante.
4.1.4.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7177) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam staat van een inwonend, minderjarig kind van de betrokkene de vooronderstelling dat de betrokkene redelijkerwijs over het tegoed op die rekening kan beschikken. Het is aan betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.
4.1.5.
Uit 4.1.1 en de onder 4.1.2 vermelde verklaringen van appellante volgt, anders dan zij heeft aangevoerd, dat zij de volledige beschikkingsmacht had over deze bankrekening. Dat zij eerst na overleg met S bedragen kon overschrijven naar haar eigen rekening of naar derden maakt niet dat zij beperkt was in de beschikkingsmacht over het tegoed op deze rekening. De door de dochter van appellante geboden hulp bij het overboeken van gelden met internetbankieren betekent niet dat appellante daardoor beperkt was in de beschikkingsmacht over deze rekening. Tot slot kan de stelling van appellante dat de afschrijvingen van deze rekening naar de persoonlijke rekening van S direct samenhangen met zijn bijschrijvingen op deze rekening niet worden gevolgd. Uit de geldstromen op de bankafschriften is een dergelijke samenhang niet af te leiden.
4.1.6.
Uit 4.1.1 tot en met 4.1.5 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante kon beschikken over de bijschrijvingen van S op de bankrekening zodat deze als inkomen op de bijstand van appellante in mindering moeten worden gebracht. Nu appellante hierover bij het college geen melding heeft gedaan, heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden en was het college verplicht om de bijstand te herzien over de maanden waarop de bijschrijvingen van S zien.
Bijschrijvingen op de bankrekening op naam van appellante
4.2.1.
Vaststaat dat S en de twee meerderjarige dochters van appellante regelmatig bedragen hebben bijgeschreven op de bankrekening op naam van appellante en dat appellante dit niet bij het college heeft gemeld.
4.2.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.
4.2.3.
Uit 4.2.2 volgt dat de bijschrijvingen van S en de twee meerderjarige dochters van appellante in beginsel als inkomen bij de bijstandsverlening van appellante moeten worden betrokken. Dat appellante, zoals zij heeft aangevoerd, schulden had waardoor zij met haar bijstand niet uitkwam en de bijschrijvingen gebruikte voor de betaling van de schulden en andere noodzakelijke uitgaven, betekent niet dat de bijschrijvingen niet als inkomen aan haar kunnen worden toegerekend.
4.2.4.
Verder heeft appellante nog aangevoerd dat de door de dochters bijgeschreven bedragen als leningen en niet als inkomen zijn aan te merken omdat de bijschrijvingen betrekking hebben op een periode waarin zij geen bijstand ontving. Deze beroepsgrond slaagt niet op grond van het volgende.
4.2.5.
Weliswaar heeft appellante in verband met een in haar woning aangetroffen hennepkwekerij in de maanden februari 2016 tot halverwege juli 2016 geen bijstand ontvangen, maar dit betekent niet zonder meer dat in die periode bijgeschreven bedragen niet als inkomen zijn aan te merken. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3508), moet een betrokkene die zich erop beroept leningen te hebben afgesloten voor levensonderhoud in een periode dat hij geen bijstand ontving aannemelijk maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat de betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij leningen heeft ontvangen, dat bij de betaling en niet later de afspraak is gemaakt dat het een lening is en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud is bedoeld.
Conclusie
4.3.
Uit 4.1.1 tot en met 4.2.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en G.M.G. Hink en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2020.
(getekend) J.N.A. Bootsma
De griffier is verhinderd te ondertekenen.