Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-02-26
ECLI:NL:CRVB:2020:477
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,128 tokens
Inleiding
173386 ZW
Datum uitspraak: 26 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2017, 16/5986 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 22 januari 2016 heeft het Uwv bepaald dat de aan appellant op grond van de Ziektewet (ZW) toegekende uitkering met ingang van 26 februari 2016 wordt beëindigd. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 juli 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft bepaald dat de ZW-uitkering vanaf 26 februari 2016 wordt voortgezet. Voorts heeft het Uwv de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 992,- en de kosten voor het opvragen van medische inlichtingen bij de huisarts tot een bedrag van € 37,95, in totaal € 1.029,95, vergoed. De kosten die appellant heeft gemaakt voor het inschakelen van het Instituut Psychosofia, centrum voor spirituele geneeswijze en spirituele dans, in totaal een bedrag van € 541,85, heeft het Uwv niet vergoed, omdat het rapport van het Instituut Psychosofia niet wordt aangemerkt als een medisch rapport afkomstig van een medisch deskundige.
1.2.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover het Uwv daarbij heeft geweigerd de kosten voor het inschakelen van het Instituut Psychosofia te vergoeden.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat deze door appellant geclaimde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4323), waarin is overwogen dat en waarom in geschillen over arbeidsongeschiktheid de rapporten van Psychosofia niet kunnen worden aangemerkt als rapporten van een medisch deskundige. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de kosten voor het inschakelen van het Instituut Psychosofia voor vergoeding in aanmerking dienen te komen.
4.1.
De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen komen de kosten van rapporten van het Instituut Psychosofia naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de door de rechtbank genoemde uitspraak van 13 april 2005 en bijvoorbeeld recent de uitspraak van 12 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3113) niet voor vergoeding in aanmerking. De in hoger beroep aangevoerde argumenten brengen geen nieuwe gezichtspunten naar voren die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De overwegingen in de uitspraak van de Raad van 13 april 2005 zijn ook in deze zaak van toepassing.
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Gelet op dit oordeel wordt het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) M. Graveland
Inleiding
173386 ZW
Datum uitspraak: 26 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2017, 16/5986 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 22 januari 2016 heeft het Uwv bepaald dat de aan appellant op grond van de Ziektewet (ZW) toegekende uitkering met ingang van 26 februari 2016 wordt beëindigd. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 juli 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft bepaald dat de ZW-uitkering vanaf 26 februari 2016 wordt voortgezet. Voorts heeft het Uwv de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 992,- en de kosten voor het opvragen van medische inlichtingen bij de huisarts tot een bedrag van € 37,95, in totaal € 1.029,95, vergoed. De kosten die appellant heeft gemaakt voor het inschakelen van het Instituut Psychosofia, centrum voor spirituele geneeswijze en spirituele dans, in totaal een bedrag van € 541,85, heeft het Uwv niet vergoed, omdat het rapport van het Instituut Psychosofia niet wordt aangemerkt als een medisch rapport afkomstig van een medisch deskundige.
1.2.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover het Uwv daarbij heeft geweigerd de kosten voor het inschakelen van het Instituut Psychosofia te vergoeden.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat deze door appellant geclaimde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4323), waarin is overwogen dat en waarom in geschillen over arbeidsongeschiktheid de rapporten van Psychosofia niet kunnen worden aangemerkt als rapporten van een medisch deskundige. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de kosten voor het inschakelen van het Instituut Psychosofia voor vergoeding in aanmerking dienen te komen.
4.1.
De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen komen de kosten van rapporten van het Instituut Psychosofia naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de door de rechtbank genoemde uitspraak van 13 april 2005 en bijvoorbeeld recent de uitspraak van 12 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3113) niet voor vergoeding in aanmerking. De in hoger beroep aangevoerde argumenten brengen geen nieuwe gezichtspunten naar voren die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. De overwegingen in de uitspraak van de Raad van 13 april 2005 zijn ook in deze zaak van toepassing.
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Gelet op dit oordeel wordt het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) M. Graveland