Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-12-22
ECLI:NL:CRVB:2020:3516
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,968 tokens
Inleiding
19 559 PW, 19/560 PW, 19/561 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 22 december 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2018, 18/2847, 18/3044 en 18/3046 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 10 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 6 maart 2017 aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellant ontving in de periode van 15 april 2015 tot en met 31 maart 2018 tevens bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van bewindvoering.
1.2.
Op 31 maart 2017 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met het college om te melden dat hij een beleggingsrekening heeft. Appellant was vergeten de rekening te melden. Zijn zus, bij wie appellant een schuld van € 15.000,- heeft, beheert de rekening. Bij brief van 12 april 2017 heeft de sociaal juridisch consulent van appellant, werkzaam bij MEE Amstel en Zaan (consulent), het college onder meer gemeld dat de bewindvoerder van appellant de beleggingsrekening heeft geblokkeerd. Bij brief van 22 mei 2017 heeft de klantmanager appellant, naar aanleiding van de melding van de beleggingsrekening, bericht dat hij vanaf 6 maart 2017 inkomsten moet opgeven en ook dat hij het beleggen van geld tijdens de bijstand moet opgeven. Bij e-mailbericht van 30 mei 2017 heeft de consulent de bewindvoerder van appellant bericht dat de beleggingsrekening van appellant geen gevolgen heeft voor zijn uitkering. Zij had dit nagevraagd bij die klantmanager, die de bewindvoerder ter bevestiging kon bellen.
1.3.
Op 28 november 2017 heeft de bewindvoerder van appellant desgevraagd een fiscaal jaaroverzicht 2016 overgelegd. Daaruit blijkt dat de totale portefeuillewaarde per 31 december 2016 € 24.760,49 bedraagt.
1.4.
Bij besluit van 6 december 2017 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 6 maart 2017 ingetrokken. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant op 6 maart 2017 kon beschikken over een vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen.
1.5.
Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college de over de periode van 6 maart 2017 tot en met 31 oktober 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 410,87 van appellant teruggevorderd.
1.6.
Appellant heeft op 30 januari 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor de maandelijkse kosten van bewindvoering vanaf 1 april 2018.
1.7.
Bij besluit van 5 februari 2018 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen omdat appellant over voldoende vermogen beschikt om de kosten zelf te voldoen.
1.8.
Bij besluit van 9 maart 2018 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2017 ongegrond verklaard. Het college heeft aan die besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant bij aanvang van de bijstand beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over voldoende middelen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
1.9.
Bij besluit van 16 maart 2018, zoals gewijzigd bij besluit van 1 november 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2018 gegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant op 31 maart 2017 melding heeft gemaakt van de beleggingsrekening. Het college heeft de terugvordering onder toepassing van de zesmaandenjurisprudentie beperkt tot de periode van 6 maart 2017 tot en met 30 september 2017. Het terugvorderingsbedrag is in verband daarmee vastgesteld op € 357,77.
1.10.
Bij besluit van 23 maart 2018 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2018 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 6 maart 2017, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 6 december 2017, de datum van het intrekkingsbesluit.
4.2.
Intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
Niet in geschil is dat de beleggingsrekening in de te beoordelen periode op naam van appellant stond en dat het tegoed op die beleggingsrekening lag boven het voor appellant geldende vrij te laten vermogen.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat de beleggingsrekening niet van invloed was op zijn recht op bijstand. Hij wijst op de brief van de klantmanager van 22 mei 2017 en het e-mailbericht van de consulent van 30 mei 2017. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
4.4.2.
Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
4.4.3.
Als aan de in 4.4.1 en 4.4.2 weergegeven stappen is voldaan, is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Aan die belangenafweging wordt in dit geval echter niet toegekomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.4.
Met de verwijzing naar de brief van de klantmanager van 22 mei 2017 heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een toezegging, uitlating of gedraging van de zijde van het college als in 4.4.1 bedoeld waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Anders dan appellant stelt, kan uit de brief niet worden afgeleid dat hij de beleggingsrekening niet hoefde te melden. In die brief staat immers dat appellant niet alleen inkomsten, maar ook het beleggen van gelden gedurende de bijstandsverlening moest opgeven bij het college. Hier is dus niet voldaan aan de in 4.4.1 genoemde stap.
4.4.5.
In het e-mailbericht van de consulent van 30 mei 2017 is weliswaar sprake van een toezegging, maar deze is niet gedaan door het daartoe bevoegde orgaan, zijnde het college. De toezegging is gedaan door een consulent, werkzaam bij MEE Amstel en Zaan. Dat is een organisatie die mensen met een beperking of handicap ondersteuning biedt op het gebied van maatschappelijke participatie. De consulent wijst er weliswaar op dat zij de klantmanager had gevraagd of de beleggingsrekening gevolgen had voor de uitkering en dat de klantmanager daarover kon worden gebeld, maar deze verklaring van horen zeggen biedt onvoldoende aanknopingspunten om deze toezegging toe te rekenen aan het college. Onduidelijk is wat de klantmanager de consulent op basis waarvan heeft verteld.
4.5.
De stelling van appellant dat het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staat aan intrekking en terugvordering slaagt evenmin.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is nagelaten het college te veroordelen in de proceskosten van appellant;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J.B. Beerens
Inleiding
19 559 PW, 19/560 PW, 19/561 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 22 december 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2018, 18/2847, 18/3044 en 18/3046 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 10 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 6 maart 2017 aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellant ontving in de periode van 15 april 2015 tot en met 31 maart 2018 tevens bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van bewindvoering.
1.2.
Op 31 maart 2017 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met het college om te melden dat hij een beleggingsrekening heeft. Appellant was vergeten de rekening te melden. Zijn zus, bij wie appellant een schuld van € 15.000,- heeft, beheert de rekening. Bij brief van 12 april 2017 heeft de sociaal juridisch consulent van appellant, werkzaam bij MEE Amstel en Zaan (consulent), het college onder meer gemeld dat de bewindvoerder van appellant de beleggingsrekening heeft geblokkeerd. Bij brief van 22 mei 2017 heeft de klantmanager appellant, naar aanleiding van de melding van de beleggingsrekening, bericht dat hij vanaf 6 maart 2017 inkomsten moet opgeven en ook dat hij het beleggen van geld tijdens de bijstand moet opgeven. Bij e-mailbericht van 30 mei 2017 heeft de consulent de bewindvoerder van appellant bericht dat de beleggingsrekening van appellant geen gevolgen heeft voor zijn uitkering. Zij had dit nagevraagd bij die klantmanager, die de bewindvoerder ter bevestiging kon bellen.
1.3.
Op 28 november 2017 heeft de bewindvoerder van appellant desgevraagd een fiscaal jaaroverzicht 2016 overgelegd. Daaruit blijkt dat de totale portefeuillewaarde per 31 december 2016 € 24.760,49 bedraagt.
1.4.
Bij besluit van 6 december 2017 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 6 maart 2017 ingetrokken. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant op 6 maart 2017 kon beschikken over een vermogen boven het voor hem geldende vrij te laten vermogen.
1.5.
Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college de over de periode van 6 maart 2017 tot en met 31 oktober 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 410,87 van appellant teruggevorderd.
1.6.
Appellant heeft op 30 januari 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor de maandelijkse kosten van bewindvoering vanaf 1 april 2018.
1.7.
Bij besluit van 5 februari 2018 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen omdat appellant over voldoende vermogen beschikt om de kosten zelf te voldoen.
1.8.
Bij besluit van 9 maart 2018 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2017 ongegrond verklaard. Het college heeft aan die besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant bij aanvang van de bijstand beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over voldoende middelen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
1.9.
Bij besluit van 16 maart 2018, zoals gewijzigd bij besluit van 1 november 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2018 gegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant op 31 maart 2017 melding heeft gemaakt van de beleggingsrekening. Het college heeft de terugvordering onder toepassing van de zesmaandenjurisprudentie beperkt tot de periode van 6 maart 2017 tot en met 30 september 2017. Het terugvorderingsbedrag is in verband daarmee vastgesteld op € 357,77.
1.10.
Bij besluit van 23 maart 2018 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2018 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt in dit geval van 6 maart 2017, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 6 december 2017, de datum van het intrekkingsbesluit.
4.2.
Intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
Niet in geschil is dat de beleggingsrekening in de te beoordelen periode op naam van appellant stond en dat het tegoed op die beleggingsrekening lag boven het voor appellant geldende vrij te laten vermogen.
4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat de beleggingsrekening niet van invloed was op zijn recht op bijstand. Hij wijst op de brief van de klantmanager van 22 mei 2017 en het e-mailbericht van de consulent van 30 mei 2017. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
4.4.2.
Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
4.4.3.
Als aan de in 4.4.1 en 4.4.2 weergegeven stappen is voldaan, is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Aan die belangenafweging wordt in dit geval echter niet toegekomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.4.4.
Met de verwijzing naar de brief van de klantmanager van 22 mei 2017 heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een toezegging, uitlating of gedraging van de zijde van het college als in 4.4.1 bedoeld waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Anders dan appellant stelt, kan uit de brief niet worden afgeleid dat hij de beleggingsrekening niet hoefde te melden. In die brief staat immers dat appellant niet alleen inkomsten, maar ook het beleggen van gelden gedurende de bijstandsverlening moest opgeven bij het college. Hier is dus niet voldaan aan de in 4.4.1 genoemde stap.
4.4.5.
In het e-mailbericht van de consulent van 30 mei 2017 is weliswaar sprake van een toezegging, maar deze is niet gedaan door het daartoe bevoegde orgaan, zijnde het college. De toezegging is gedaan door een consulent, werkzaam bij MEE Amstel en Zaan. Dat is een organisatie die mensen met een beperking of handicap ondersteuning biedt op het gebied van maatschappelijke participatie. De consulent wijst er weliswaar op dat zij de klantmanager had gevraagd of de beleggingsrekening gevolgen had voor de uitkering en dat de klantmanager daarover kon worden gebeld, maar deze verklaring van horen zeggen biedt onvoldoende aanknopingspunten om deze toezegging toe te rekenen aan het college. Onduidelijk is wat de klantmanager de consulent op basis waarvan heeft verteld.
4.5.
De stelling van appellant dat het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staat aan intrekking en terugvordering slaagt evenmin.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is nagelaten het college te veroordelen in de proceskosten van appellant;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;
bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J.B. Beerens