Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-12-16
ECLI:NL:CRVB:2020:3168
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,405 tokens
Inleiding
19235 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2018, 17/1643 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 december 2020
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.B.M. Pessers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 februari 2020 heeft mr. E.M.A. Leijser zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen. Appellant heeft met bijstand van mr. Leijser telefonisch deelgenomen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Coenen.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als assemblage medewerker. Op 18 december 2013 heeft appellant zich ziek gemeld met rugklachten. Hij is vervolgens in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Nadien heeft appellant ook psychische klachten en diverse andere lichamelijke klachten gemeld. Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld, na een beslissing op bezwaar van 2 februari 2016, voortgezet.
1.2.
Op 15 februari 2016 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Naar aanleiding van zijn aanvraag heeft appellant op 23 maart 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 april 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 18%. Bij besluit van 4 mei 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 16 december 2015 een WIA‑uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 25 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, voor zover gericht tegen de WIA-beoordeling, ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder de reflux-, maag-, rug-, hand-, slaap- en vermoeidheidsklachten en psychische klachten, de slaapapneu en de gebruikte medicatie, zoals tramadol en gabapentine. Bij het opstellen van de FML is naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de geobjectiveerde klachten van appellant. De informatie die appellant in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank evenmin aanleiding te twijfelen aan de in FML van 5 april 2016 vastgestelde belastbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 1 maart 2018 inzichtelijk gemotiveerd waarom het rapport van 17 november 2017 van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts V. Adhin geen aanleiding vormt om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen wat betreft de polyneuropathie, de bijwerkingen als gevolg van de medicatie die appellant op de datum in geding gebruikte, de refluxklachten, de maagklachten en de door appellant gestelde beperking voor zitten. De rechtbank merkt daarbij op dat Adhin over de bijwerkingen door het gebruik van tramadol en gabapentine heeft gerapporteerd dat hem een ‘beperking op arbeid met verhoogd persoonlijk risico’ wel wenselijk lijkt. Over het zitten heeft Adhin geschreven dat het ‘gezien de dossiergegevens’ evenwel mogelijk is dat appellant (enige) klachten bij het zitten kan ondervinden. Daarmee heeft Adhin naar het oordeel van de rechtbank de beperkingen die de verzekeringsartsen van het Uwv hebben vastgesteld, onvoldoende in twijfel getrokken. Bovendien heeft Adhin zijn advies alleen gebaseerd op dossierstudie, terwijl de verzekeringsarts van het Uwv appellant zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht. Over de andere door appellant in beroep overgelegde medische gegevens heeft de rechtbank overwogen dat die niet zien op de medische situatie van appellant op de datum in geding, 16 december 2015, dan wel informatie bevat die al bekend was bij de verzekeringsartsen van het Uwv. Appellant heeft ook geen medische gegevens overgelegd die zijn standpunt onderbouwen dat zijn psychische klachten tot meer beperkingen hadden moeten leiden. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de beperkingen die de verzekeringsartsen in verband met deze klachten hebben aangenomen. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, heeft de rechtbank overwogen dat door de arbeidsdeskundigen voldoende is gemotiveerd dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 28 juni 2017 nog gereageerd op de beroepsgronden van appellant wat betreft het maatmanloon en het aantal arbeidsplaatsen in de functies. De rechtbank heeft geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank de WIA‑uitkering per 16 december 2015 terecht geweigerd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, zijn standpunt staande gehouden dat bij het vaststellen van de belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met zijn maagklachten, rugklachten, de ontstekingen aan zijn vingertoppen en zijn medicatiegebruik. Appellant is meer beperkt dan in de FML door het Uwv is aangenomen en acht de geselecteerde functies om die reden niet geschikt voor hem. Verder heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij het bestaan van vier arbeidsplaaten in twee van de geslecteerde functies ontkent bij gebrek aan wetenschap. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant bijsluiters overgelegd van de door hem gebruikte medicatie en nadere informatie van een Turkse arts van mei 2017.
3.2.
Het Uwv heeft, onder overlegging van een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht per 16 december 2015 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht en vormt geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven.
4.4.
Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat onvoldoende aandacht is besteed aan zijn klachten en het medicatiegebruik. In zijn rapport van 7 mei 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht dat en waarom er geen reden is om het eerder ingenomen standpunt over de belastbaarheid van appellant te wijzigen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet de diagnose van belang voor het vaststellen van de belastbaarheid, maar de geobjectiveerde afwijkingen en de daarbij horende beperkingen. Wat betreft de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de Turkse arts uit mei 2017, wordt overwogen dat deze informatie niet ziet op de datum in geding, 16 december 2015.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) G.S.M. van Duinkerken