Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-02-13
ECLI:NL:CRVB:2020:294
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,553 tokens
Inleiding
176345 AOW
Datum uitspraak:13 februari 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2017, 17/2458 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om schadevergoeding.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en een nader standpunt ingenomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Namens appellant is mr. De Roy van Zuydewijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.
Overwegingen
1.1.
Appellant, geboren [in] 1951 in Marokko, is werkzaam geweest in Nederland. Tijdens die werkzame periode is hij op 7 oktober 1991 ziek geworden. Nog steeds ziek zijnde is hij teruggekeerd naar Marokko. Daarna heeft appellant niet meer in Nederland gewerkt.
1.2.
Bij besluit van 1 augustus 2016 heeft de Svb aan appellant vanaf april 2017 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ten bedrage van € 31,55 per maand.
1.3.
Bij besluit van 22 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2016 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant geen AOW-pensioen heeft opgebouwd in de perioden van 1 april 1967 tot en met 28 februari 1990 en van 1 januari 1992 tot en met 31 maart 2017. In totaal is appellant 48 jaar en twee maanden niet verzekerd geweest. Dit leidt tot een korting van 96% op zijn pensioen. Appellant komt niet in aanmerking voor een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Volgens de Svb is geen sprake van een onevenredig zware last door het verhogen van de pensioenleeftijd. Het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel zijn volgens de Svb niet geschonden als gevolg van het verhogen van de AOW-pensioenleeftijd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de Svb ten onrechte de einddatum van de verzekerde periode heeft vastgesteld op 1 januari 1992. Volgens appellant had dat 5 oktober 1992 moeten zijn. Appellant heeft verwezen naar een verklaring MN 111 die het Ziekenfonds Haaglanden heeft afgegeven op 13 december 1991, die geldig was tot 14 februari 1992, en naar een besluit van 12 oktober 2000 van het GUO waarbij is geweigerd om hem met ingang van 5 oktober 1992 een AAW- en WAO-uitkering toe te kennen. Appellant heeft betoogd dat er tot oktober 1992 sprake was van een tijdelijke onderbreking van zijn arbeid zoals bedoeld in artikel 7 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 1989, 164 (KB 164). Dat zou betekenen dat de verzekerde periode van appellant drie jaar bedraagt. Voorts is sprake van een ontoelaatbare inbreuk op het eigendomsrecht door het verschuiven van de pensioenleeftijd van juli 2016 naar april 2017 en dat leidt tot een individuele en ‘excessive burden’ voor appellant. De Svb heeft volgens appellant, door uitsluitend te toetsen aan de voorwaarden van de OBR, geen deugdelijk individueel feitenonderzoek verricht naar het bestaan van een individueel en ‘excessive burden’ en de rechtbank heeft dat miskend. Het pensioen van appellant is negen maanden opgeschoven waardoor een AOW-gat is ontstaan, in welke periode hij geen enkel ander inkomen en middelen had. Hij is onderhouden door zijn familie en heeft steeds geleefd met in het vooruitzicht het pensioen. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van rente over het na te betalen AOW-pensioen.
3.2.
De Svb heeft in hoger beroep zijn standpunt in zoverre gewijzigd dat nu uit de verklaring MN 111 van 13 december 1991 volgt dat appellant recht had op verstrekkingen tot 14 februari 1992, de verzekerde periode heeft doorgelopen tot 14 februari 1992. Omdat appellant daarna niet meer is teruggekeerd naar Nederland en ook niet uit handelingen van appellant of een bewijsstuk is gebleken dat hij na 14 februari 1992 de intentie had om terug te keren naar Nederland, is er geen reden om aan te nemen dat zijn verblijf in Marokko daarna nog steeds als een tijdelijk verblijf, dat wil zeggen een tijdelijke onderbreking van arbeid, kon worden aangemerkt. De verzekerde periode blijft dan twee jaar. Voorts heeft de Svb in hoger beroep de inkomens- en vermogenspositie van appellant in ogenschouw genomen en vastgesteld dat geen sprake is van een onevenredig zware last en een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol) die ertoe zou moeten leiden dat aan appellant een AOW-pensioen moet worden verstrekt tijdens het AOW-gat.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Verzekerde periode
4.1.
Partijen zijn verdeeld over de vraag welke periode appellant verzekerd is geweest voor de AOW, meer specifiek op welke moment de periode van tijdelijke onderbreking van arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 7 van KB 164 is geëindigd.
4.2.
Artikel 7 van KB 164 luidt als volgt. Verzekerd ingevolge de volksverzekeringen blijft degene die niet in Nederland woont, maar die uitsluitend in Nederland arbeid verricht en van wie de arbeid tijdelijk wordt onderbroken
a. wegens ziekte, moederschap, ongeval of werkloosheid of
b. wegens onbetaald verlof, staking of uitsluiting.
4.3.1.
In zijn uitspraak van 3 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4248, heeft de Raad overwogen dat de regelgever met artikel 7 van KB 164 het oog heeft gehad op een tijdelijke onderbreking onder andere ten gevolge van ziekte, waarbij de bedoeling was dat de werkzaamheden zo mogelijk zullen worden hervat, welke tijdelijke onderbreking de duur van het – toen geldende – ziektewetjaar kon omvatten. Het enkele feit dat iemand gedurende het ziektewetjaar is teruggekeerd naar Marokko, doet aan het tijdelijke van een onderbreking als in artikel 7 van KB 164 bedoeld, niet af
4.3.2.
Volgens de Svb komt aan de tijdelijkheid van de onderbreking van de arbeid in het geval van appellant een einde doordat de MN 111 verklaring geldig was tot 14 februari 1992. De Raad volgt dit standpunt van de Svb niet. Een dergelijke verklaring, die ziet op recht op spoedeisende zorg, wordt voor maximaal 60 dagen afgegeven en biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat na die datum de onderbreking van arbeid wegens ziekte niet meer tijdelijk was. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens neemt de Raad aan dat de periode van tijdelijke onderbreking van arbeid wegens ziekte heeft voortgeduurd tot aan de weigering bij einde wachttijd van de AAW- en WAO-uitkering per 5 oktober 1992, zodat appellant tot aan die datum verzekerd is gebleven ingevolge de AOW. Dat betekent dat appellant in totaal 47 jaar en zeven maanden niet verzekerd is geweest, naar beneden afgerond 47 jaar. Op het AOW-pensioen van appellant moet dus een korting van 94% toegepast worden. Dit betekent dat hij recht heeft op een AOW-pensioen van 6%. Reeds hierom slaagt het hoger beroep.
Onevenredige zware last bij toepassing van artikel 7a van de AOW
4.4.
Uit rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502 en ECLI:NL:CRVB:2016:2613) over de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de AOW aanvangs- en pensioengerechtigde leeftijd volgt dat die verschuiving een inmenging in het eigendomsrecht is die in het algemeen proportioneel wordt geacht en in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Overwogen is voorts dat de toepassing van artikel 7a van de AOW in concrete gevallen tot een onevenredig zware last, als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM), zou kunnen leiden en daardoor tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van deugdelijke individueel feitenonderzoek worden beoordeeld.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 maart 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;
- herroept het besluit van 1 augustus 2016 en bepaalt dat aan appellant met ingang van
1 april 2017 een AOW-pensioen wordt toegekend van 6% en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 maart 2017;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe in die zin dat de Svb aan appellant wettelijke rente dient te vergoeden overeenkomstig hetgeen is overwogen in overweging 4.8;
- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 3.150,-;
- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 46,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als voorzitter en A. van Gijzen en T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2020.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) B.V.K. de Louw