Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-11-05
ECLI:NL:CRVB:2020:2733
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,365 tokens
Inleiding
193997 AW
Datum uitspraak: 5 november 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2019, 18/1322 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.L.A. Helmer hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingestuurd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.I. Salden.
Overwegingen
1.1
Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16,
tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of
beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op
grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt,
het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.
1.2.
Appellante is sinds 1 maart 2002 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk in de functie van [naam functie].
1.3.
Van 3 februari 2015 tot en met 17 januari 2016 is appellante arbeidsongeschikt geweest wegens ziekte. Haar bezoldiging is gedurende die periode volledig doorbetaald. Vanaf 6 september 2016 is appellante wederom volledig arbeidsongeschikt voor het verrichten van haar eigen werkzaamheden.
1.4.
Bij salarisspecificatie over de maand september 2017 heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) een korting van 30% op de bezoldiging van appellante toegepast, omdat haar arbeidsongeschiktheid meer dan 52 weken voortduurde.
1.5.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij tevens een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 38a van het ARAR. Bij besluit van 24 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om met toepassing van artikel 38a van het ARAR haar ziekte te erkennen als beroepsziekte afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 37, eerste lid, van het ARAR heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.
4.1.2.
In artikel 37, vierde lid, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, ook na afloop van het tijdvak van 52 weken arbeidsongeschiktheid recht op doorbetaling van zijn bezoldiging indien de ongeschiktheid om te werken wordt veroorzaakt door een beroepsincident.
4.1.3.
Op grond van artikel 38a, eerste lid, van het ARAR wordt de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een dienstongeval of een beroepsziekte doch niet door een beroepsincident, op zijn aanvraag voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met de ambtenaar die ongeschikt is zijn arbeid te verrichten wegens een beroepsincident.
4.1.4.
Op grond van artikel 35 van het ARAR wordt onder een beroepsziekte verstaan een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.
4.2.
De Raad stelt voorop dat de bestuursrechter volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) niet op alle aangevoerde gronden hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern daarvan. De Raad zal zich dan ook beperken tot bespreking van de kern van de door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden.
4.3.
Om te beginnen stelt de Raad vast dat appellante in bezwaar heeft aangevoerd dat haar ziekte is aan te merken als een beroepsziekte en in dat kader heeft verzocht om gelijkstelling met een ambtenaar die arbeidsongeschikt is wegens een beroepsincident. Dat brengt mee dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de vraag of de ziekte van appellante moet worden aangemerkt als een beroepsziekte als bedoeld in artikel 35 van het ARAR. Als dat het geval is, heeft zij ook na afloop van 52 weken arbeidsongeschiktheid recht op doorbetaling van haar bezoldiging.
4.4.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7194, en van 1 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:376) moeten bij de toepassing van een regeling als in geding eerst de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, worden geobjectiveerd. Naarmate de ziekte meer van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen. De beoordeling hiervan vergt een juridische kwalificatie van de zich voordoende feiten. Het ligt daarbij op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat dergelijke buitensporige in het werk of de werkomstandigheden gelegen factoren zich voordoen.
4.5.
Zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van
1 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2270) ligt in het buitensporigheidsvereiste en de daarbij toe te passen objectivering besloten dat geen rekening moet worden gehouden met een meer dan gemiddelde, individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden. Voor zover de werkomstandigheden van een betrokkene hem of haar juist vanwege de subjectieve omstandigheid van zijn of haar verhoogde kwetsbaarheid te veel zijn geworden, is niet voldaan aan de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarde van naar objectieve maatstaven gemeten buitensporigheid.
4.6.
Appellante heeft betoogd dat zij ook in en na september 2017 recht heeft op doorbetaling van haar volledige bezoldiging omdat sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Het criterium dat de Raad in zijn rechtspraak in geval van psychische klachten aanlegt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een beroepsziekte is te grofmazig en zou niet één-op-één van toepassing moeten zijn op haar situatie, aldus appellante. Volgens haar dient beoordeeld te worden of, gegeven haar medische gesteldheid, de staatssecretaris en diegenen die namens de staatssecretaris handelen, zich zodanig hebben gedragen dat dit de medische klachten van appellante waarschijnlijk tot gevolg hebben gehad.
4.7.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In recente rechtspraak heeft de Raad het in zijn vaste rechtspraak neergelegde buitensporigheidsvereiste uitdrukkelijk bevestigd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1911). Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om, zoals zij heeft bepleit, deze rechtspraak te verlaten. Het buitensporigheidsvereiste vloeit voort uit de uitleg die wordt gegeven aan de voorwaarde dat de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de werkomstandigheden. In het vereiste en de daarbij toe te passen objectivering ligt besloten dat geen rekening wordt gehouden met een meer dan gemiddelde individuele gevoeligheid van de betrokken ambtenaar voor bepaalde werkomstandigheden. Verder moet de buitensporigheid worden beoordeeld in verhouding tot de opgedragen werkzaamheden en de daarbij behorende omstandigheden. Dit betekent dat gebeurtenissen en werkomstandigheden die inherent zijn aan de functie als oorzaak van psychisch disfunctioneren buiten beschouwing moeten blijven. De redenen hiervoor zijn specifiek gelegen in de psychische aard van de klachten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2020.
(getekend) H. Lagas
(getekend) R.H. Koopman