Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-10-07
ECLI:NL:CRVB:2020:2435
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,487 tokens
Inleiding
184737 WSF
Datum uitspraak: 7 oktober 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
19 juli 2018, 17/2017 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Op 13 mei 2020 heeft de Raad, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de minister, met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat beperking van de kennisneming van de door de minister in beroep als bijlagen bij de brief van 1 maart 2018 overgelegde gedingstukken gerechtvaardigd is. Namens appellant is vervolgens toestemming verleend om mede op grond van die gedingstukken uitspraak te doen.
Het onderzoek ter zitting heeft - gelijktijdig met de zaak 18/4736 WSF - door middel van beeldbellen plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen appellant, bijgestaan door mr. Anik, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.
Overwegingen
1.1.
Appellant stond vanaf 14 juli 2014 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [brp-adres] in [woonplaats] (brp-adres). Appellant heeft, voor zover hier van belang, van 1 augustus 2014 tot 1 oktober 2015 en vanaf 1 augustus 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.
Op 11 oktober 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is, in het bijzijn van een tante van appellant die de hoofdbewoonster is van het brp-adres, een huisbezoek afgelegd op het brp-adres. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
1.3.
Bij besluit van 18 november 2016 heeft de minister op basis van de bevindingen van het onder 1.2 vermelde onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 augustus 2014 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 3.462,21 van hem teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 24 november 2016 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 310,17 omdat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het adres waaronder hij in de brp staat ingeschreven.
1.5.
Bij besluit van 5 april 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 18 november 2016 en 24 november 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de controleurs die het onderzoek naar de woonsituatie van appellant hebben verricht daartoe bevoegd waren. Daartoe is overwogen dat op grond van artikel 1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 april 2012 (Stcrt. 2012, nr. 8364) de personen werkzaam bij Investiga B.V. met ingang van 1 januari 2012 belast zijn met het toezicht, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Gezien de overgelegde arbeidsovereenkomsten waren beide controleurs van 1 oktober 2016 tot 31 december 2016 werkzaam bij Investiga B.V. De echtheid van deze arbeidsovereenkomsten is door de minister in voldoende mate aangetoond met de door de minister als bijlagen bij de brief van 1 maart 2018 overgelegde gegevens uit de salarisadministratie van Investiga B.V., de loonstaten van de controleurs en een bewijs van loonaangifte door Investiga B.V. Gelet op de aard van deze stukken en de daarop gegeven toelichting is beperking van de kennisneming van deze stukken door alleen de rechtbank op grond van artikel 8:29 van de Awb gerechtvaardigd. Uit deze stukken blijkt dat Investiga B.V. de controleurs over de maand oktober 2016 loon heeft uitbetaald en over dat loon ook loonheffing heeft betaald. Met deze gegevens heeft de minister aannemelijk gemaakt dat de controleurs in oktober 2016 ook feitelijk in dienst waren bij Investiga B.V. en dus niet als zzp’ers werkzaam waren. Het overleggen van stukken over de maanden na oktober 2016 was voor die vaststelling niet nodig. De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is geweest van een onzorgvuldig onderzoek, dat de minister met het rapport van het huisbezoek aan de op hem rustende bewijslast voor zowel de herziening als de boeteoplegging heeft voldaan en dat appellant geen bewijs heeft geleverd waarmee het wettelijk vermoeden is weerlegd.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Niet valt in te zien dat appellant door de behandeling ter zitting bij de rechtbank op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad. Het proces-verbaal biedt geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van appellants stelling dat het beroep door de rechtbank gegrond zou worden verklaard. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, in het verdere verloop van de procedure bij de rechtbank zijn handelen, onder meer het afzien van een nadere zitting, heeft gebaseerd op de veronderstelling dat het beroep gegrond zou worden verklaard, komt geheel voor zijn rekening.
4.2.
Zoals uit het procesverloop volgt heeft de Raad, na kennisneming van de bijlagen bij de brief van de minister van 1 maart 2018, geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming gelet op de aard van deze gegevens gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft terecht in gelijke zin geoordeeld. De gegevens uit de loonadministratie van Investiga B.V. in de vorm van betalingsgegevens en een bewijs van loonaangifte alsook de salarisspecificaties van de betreffende controleurs, raken direct de privacy van deze derden die niet als partij bij de procedure betrokken zijn. Kennisneming van deze gegevens door appellant zou het belang van deze derden onevenredig schaden.
4.3.
Met de rechtbank, en onder overneming van de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen, is de Raad van oordeel dat van een gefingeerd dienstverband van de controleurs geen sprake is. De minister heeft met de door hem overgelegde gegevens aangetoond dat de controleurs ten tijde van het huisbezoek op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam waren bij Investiga B.V. en in die hoedanigheid waren de controleurs bevoegd tot het door hen verrichte onderzoek naar de woonsituatie van appellant. Dat deze arbeidsverhouding eerst, en louter, is aangegaan naar aanleiding van de rechtspraak van de Raad, inhoudende dat personen die als zzp’er werkzaamheden verrichten voor een privaat bedrijf niet bevoegd zijn tot het houden van toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 (onder meer de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943), maakt het voorgaande niet anders. Dat de minister in de praktijk ook daadwerkelijk sturing geeft aan de controleurs, en de wijze waarop dat is vormgegeven, staat beschreven in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, waarnaar hier wordt verwezen.
4.4.
Uit het rapport van het huisbezoek wordt afgeleid dat de hoofdbewoonster toestemming heeft verleend tot het betreden van de woning, nadat de controleurs zich hadden gelegitimeerd, het doel van het huisbezoek hadden uitgelegd en haar hadden gewezen op het recht om toegang tot de woning te weigeren. De aldus verleende toestemming door de hoofdbewoonster was voldoende voor het ten aanzien van appellant rechtmatig binnentreden in de woning, ook voor wat betreft de door de hoofdbewoonster als kamer van appellant getoonde kamer. Die kamer was namelijk niet bestemd tot het exclusief woongebruik van appellant nu de hoofdbewoonster heeft verklaard dat haar zoon in die kamer slaapt wanneer appellant bij zijn ouders is. De stelling van appellant dat niet duidelijk is wat de aanleiding voor het huisbezoek was, doet, wat daar ook van zij, geen afbreuk aan de rechtmatigheid van het huisbezoek.
4.5.1.
Uitgangspunt bij besluiten als hier aan de orde is dat de bewijslast in eerste instantie op de minister rust. De minister moet in het kader van de herziening aannemelijk maken, en in het kader van de boeteoplegging aantonen, dat de studerende niet heeft voldaan aan de verplichtingen die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn gesteld. Voor een uiteenzetting van de systematiek en de toetsingskaders verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, 13 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:86 en van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877 en ECLI:NL:CRVB:2016:1878. Heeft de minister op een zeker controlemoment aan de op hem rustende bewijslast voldaan dan heeft de minister, via het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, ook voor de daaraan voorafgaande periode het bewijs geleverd dat de studerende niet woont op zijn brp-adres.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2020.
(getekend) H.J. de Mooij
De griffier is verhinderd te ondertekenen