Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-03-21
ECLI:NL:CRVB:2019:963
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,523 tokens
Inleiding
17410 WIA
Datum uitspraak: 21 maart 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 december 2016, 16/1564 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A. Karacelik, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Karacelik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
Overwegingen
1.1.
Vanaf 15 februari 2006 is appellant werkzaam geweest als slager bij [naam werkgever] (de werkgever). Op 19 januari 2015 heeft appellant zich ziek gemeld. Op 14 juli 2014 is appellant op staande voet ontslagen, welk ontslag appellant heeft aangevochten. Dit heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst tussen appellant en de werkgever van 25 juli 2015, met hierin afspraken over de betaling van een bedrag aan verschuldigd loon. Op 23 november 2015 heeft appellant een aanvraag ingediend om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA).
1.2.
Bij besluit van 30 december 2015 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 februari 2016 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA berekend naar een dagloon van € 66,50.
1.3.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Hij heeft gesteld dat de werkgever ten onrechte niet het loon volgens de CAO Levensmiddelenbedrijf heeft uitbetaald, zodat het dagloon te laag is vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 3 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 december 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – vastgesteld dat de referteperiode loopt van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit 2015 is vereist dat de werknemer heeft aangetoond dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever in het refertejaar heeft gemaand het (nog) vorderbare loon uit te keren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aangetoond dat hij de werkgever tijdens het refertejaar heeft gemaand het hogere cao-loon uit te keren, nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat appellant aanspraak had op dit hogere loon. Volgens de rechtbank blijkt eerst uit de brief van 12 maart 2015 dat appellant op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand een andere cao toe te passen. Dit valt echter buiten de referteperiode.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv het dagloon voor zijn IVA‑uitkering te laag heeft vastgesteld en bij de berekening van het dagloon rekening had dienen te houden met het achterstallige loon dat appellant van zijn voormalige werkgever tegoed had. Appellant heeft acht jaar lang minder loon gehad dan waar hij ingevolge de toepasselijke cao recht op had. In hoger beroep heeft appellant een kopie van een e-mail,
gedateerd 23 september 2014, overgelegd. Volgens appellant heeft hij hiermee aannemelijk gemaakt dat hij het achterstallige loon in de referteperiode heeft gevorderd.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Geschil
4.2.
Van toepassing is het met ingang van 1 juli 2015 gewijzigde Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Stb. 2015, 152, Dagloonbesluit 2015). In artikel 15, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 is bepaald dat de werknemer geacht wordt zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Op grond van artikel 15, tweede lid, van Dagloonbesluit 2015 wordt onder loon mede begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar, maar niet tevens inbaar is geworden.
4.3.
Beoordeling
4.4.
De e-mail van 23 september 2014, die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. In deze e-mail wordt de werkgever aangeschreven door diens gemachtigde [naam] met de mededeling dat het er naar uit ziet dat appellant wel achterstallig loon heeft te vorderen, omdat de cao Levensmiddelenbedrijf van toepassing is. Uit deze e-mail blijkt niet dat appellant op niet mis te verstane wijze tijdens het refertejaar loon heeft gevorderd bij de werkgever, reeds omdat de e-mail niet van appellant afkomstig is. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen blijkt dit eerst uit de brief van 12 maart 2015. De vragen of het loon ook vorderbaar was en of is gebleken dat het loon in de referteperiode niet tevens inbaar was, kunnen daarom in het midden blijven.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en R.B. Kleiss als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) L. Boersma
VC