Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-02-28
ECLI:NL:CRVB:2019:788
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,921 tokens
Inleiding
143244 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
1 mei 2014, 13/1349 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 februari 2019
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op een vraag van de Raad heeft het Uwv bij brief van 26 november 2015 geantwoord. Appellant heeft bij brief van 15 januari 2016 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Deijkers. Tevens heeft appellant meegenomen A.D.N. Koning, senior psychiatrisch verpleegkundige. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
E.C. van der Meer.
Het onderzoek is heropend na de zitting. Naar aanleiding van wat ter zitting naar voren is gebracht, heeft de Raad psychiater dr. N.C.C. Vulink als onafhankelijk deskundige benoemd. De deskundige heeft op 25 augustus 2017 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid hun zienswijze op het deskundigenrapport in te brengen.
De deskundige heeft bij brief van 30 januari 2018 gereageerd op de zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarna partijen hierop nader hebben gereageerd.
De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts L. Greveling-Fockens heeft op
9 mei 2018 rapport uitgebracht.
Het Uwv heeft bij brief van 30 oktober 2018 met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een zienswijze uitgebracht op het rapport van de deskundige Greveling-Fockens.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker kantine voor 38,58 uur per week, heeft zich op 3 september 2009 ziek gemeld met recidiverende lage rugklachten. Daarna zijn er psychische klachten bijgekomen.
1.2.
Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 19 december 2011 vastgesteld dat appellant vanaf 1 september 2011 recht heeft op een loongerelateerde
WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.
1.3.
Pas bij brief van 30 oktober 2012 is de ex-werkgever ervan op de hoogte gesteld dat aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, waarna de ex-werkgever alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 december 2011. Daartoe is aangevoerd dat de ernst en de oorzaak van de pijnklachten en psychische klachten van appellant onvoldoende zijn onderzocht en zelfs zijn overschat. Volgens de ex-werkgever is de verzekeringsarts te veel afgegaan op de presentatie van appellant. Aan de lichamelijke en psychische klachten ligt een onvoldoende medisch objectieve oorzaak ten grondslag.
1.4.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft appellant op het spreekuur van 20 februari 2013 onderzocht en heeft vervolgens psychiater W.M.J. Hassing om een expertise gevraagd. Hassing komt in een rapport van 16 mei 2013 tot de conclusie dat bij appellant geen sprake is van een depressief psychotisch toestandsbeeld. Wel is sprake van inadequate passieve coping. Er zijn aanwijzingen voor afhankelijke persoonlijkheidstrekken met vooral een passieve coping, maar geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van eigen onderzoeksbevindingen en de expertise van Hassing geconcludeerd dat er bij appellant ten tijde in geding geen aanwijzingen zijn voor een psychose. Ook voor de lichamelijke klachten van appellant is geen overtuigende verklaring gevonden. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep enkele preventieve beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juni 2013. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft met deze FML voorbeeldfuncties voor appellant geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 18,14%. Bij besluit van
11 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de ex-werkgever gegrond verklaard en heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant met ingang van
23 juli 2013 ingetrokken, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant op 1 september 2011 minder dan 35% bedraagt.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken van een onzorgvuldig medisch onderzoek. Voorts heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft bij onderzoek geen wezenlijke psychiatrische aandoening gevonden, wat is bevestigd door de expertise van psychiater Hassing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd geconcludeerd dat er reden is voor het aannemen van lichte beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank heeft de FML van 3 juni 2013 onderschreven. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat het Uwv zijn beperkingen als gevolg van zijn psychische klachten heeft onderschat. Appellant is al jaren onder behandeling bij de GGZ, wat duidt op een ernstige psychische stoornis. Noch de verzekeringsarts bezwaar en beroep noch psychiater Hassing hebben navraag gedaan bij de GGZ. De informatie van GGZ en van de psychiatrisch verpleegkundige van GGZ geeft voldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.2.
Het Uwv heeft erop gewezen dat de informatie van GGZ uitdrukkelijk bij de oordeelsvorming is betrokken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij het bestreden besluit is de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant beëindigd met ingang van 23 juli 2013, terwijl het Uwv bij het toekenningsbesluit van 19 december 2011 had bepaald dat appellant tot 1 november 2013 recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering. Bij brief van 26 november 2015 heeft het Uwv te kennen gegeven dat de uitspraak van de Raad van 4 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3096, meebrengt dat dit recht niet eerder dan met ingang van 1 november 2013 kon worden beëindigd.
4.2.
Gelet op het verhandelde ter zitting worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 september 2011 minder is dan 35%.
4.3.
Naar aanleiding van de zitting van 29 april 2016, heeft de Raad psychiater Vulink als deskundige benoemd om van verslag en advies te dienen voor wat betreft de psychische belastbaarheid. De deskundige heeft in zijn rapport van 25 augustus 2017 geconcludeerd dat bij appellant ten tijde in geding sprake was van een matige ernstige depressieve stoornis, geluxeerd door het plotseling overlijden van een broer van appellant en door ernstige lage rugklachten. Voorts is sprake van psychotische klachten die niet geduid kunnen worden als psychotische depressie, noch in het kader van schizofrenie. De deskundige kan zich niet vinden in het standpunt dat de depressie ten tijde van datum in geding 1 september 2011 in remissie was waardoor hij zich niet heeft kunnen verenigen met de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML. De deskundige acht aannemelijk dat appellant op de datum in geding meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) is vastgesteld. De deskundige heeft in het rapport in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML aanvullende beperkingen opgenomen voor het vasthouden en het verdelen van aandacht, herinneren, emotionele problemen van anderen hanteren, eigen gevoelens uiten en het samenwerken.
4.4.
In een rapport van 31 oktober 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de conclusies van de deskundige niet gedragen worden door de objectieve onderzoeksbevindingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het deskundigenrapport geen aanleiding gezien de FML van 3 juni 2013 aan te scherpen.
4.5.
De zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het deskundigenrapport is voorgelegd aan de deskundige Vulink. Bij brief van 30 januari 2018 heeft de deskundige beaamd dat gedurende de verschillende onderzoeksmomenten waaronder het NPO, geen afwijkingen in het vasthouden en verdelen van aandacht konden worden geobjectiveerd. Anamnestisch heeft appellant geheugenklachten vermeld. Wegens onderpresteren tijdens het onderzoek konden geen cognitieve functiestoornissen worden geobjectiveerd.
4.6.
Vervolgens heeft de Raad verzekeringsarts Greveling-Fockens als deskundige benoemd om te bezien of de beperkingen in de FML van 3 juni 2013 voldoende tegemoetkomen aan de conclusies van de door de Raad benoemde deskundige psychiater Vulink. Deze deskundige heeft bij rapport van 9 oktober 2018 uiteengezet dat gelet op de conclusies van psychiater Vulink, aannemelijk is dat op de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis. De conclusie van psychiater Vulink dat appellant op grond van de depressie aanvullend beperkt is voor het omgaan met conflicten en samenwerken, wordt door de deskundige onderschreven.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 juni 2013;
- bepaalt dat het recht van appellant op loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op
1 november 2013 en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats van het besluit van
11 juni 2013 treedt;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.304,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) P. Boer
md