Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-12-19
ECLI:NL:CRVB:2019:4318
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,844 tokens
Inleiding
173935 WIA
Datum uitspraak: 19 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
4 april 2017, 16/5518 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 16/6124 ZW plaatsgehad op
28 november 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als coördinator/planner voor 40,27 uur per week. Het dienstverband is op 20 april 2012 beëindigd. Op 3 september 2013 heeft appellant zich ziek gemeld met rugklachten. Op dat moment ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellant op dat moment niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. In het kader van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft er een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 22 juli 2015 heeft het Uwv in het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar het ziekengeld met ingang van
23 augustus 2015 beëindigd, omdat appellant per die datum meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van
23 juli 2015 geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij de wettelijke wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend zodat het in rechte vaststaat.
1.3.
Op 30 mei 2016 heeft appellant opnieuw een aanvraag op grond van de Wet WIA ingediend in verband met (toegenomen) arbeidsongeschiktheid vanaf 11 februari 2016. Bij besluit van 7 juni 2016 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat appellant op dat moment niet verzekerd was voor de Wet WIA. Appellant had op 11 februari 2016 geen dienstverband en ook geen WW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van
7 juni 2016 heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 21 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen. In hoger beroep heeft hij herhaald wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Appellant benadrukt in hoger beroep dat artikel 23, vijfde lid, onder b, van de Wet WIA leidt tot ongeoorloofde discriminatie, omdat een vangnetter als gevolg van artikel 19aa van de ZW nimmer toekomt aan de eventuele toepassing van artikel 23, derde lid, onder b, van de Wet WIA. Appellant is van oordeel dat de bepaling in het vijfde lid onverbindend behoort te worden verklaard en dat het Uwv zijn zogenoemde Amberverzoek alsnog inhoudelijk moet beoordelen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 55 van de Wet WIA kan, indien per einde wachttijd geen recht op WIA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na deze datum alsnog een recht op uitkering ontstaan indien de verzekerde dan wèl minimaal 35% arbeidsongeschikt is en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij tijdens de wachttijd ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid.
4.2.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA, voor zover hier van toepassing, kan pas aanspraak op uitkering worden gemaakt nadat de wachttijd van 104 weken is verstreken. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.
4.3.
Volgens het derde lid van artikel 23 van de Wet WIA worden bij het bepalen van de wachttijd in aanmerking genomen perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de ZW. Het vijfde lid bepaalt vervolgens dat voor het bepalen van de wachttijd niet in aanmerking worden genomen perioden gedurende welke geen recht op ziekengeld bestond op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW.
4.4.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht de aanvraag van 30 mei 2016 heeft afgewezen omdat appellant op 11 februari 2016 niet verzekerd was voor de Wet WIA.
4.5.
Bij besluit van 23 juli 2015 heeft het Uwv al vastgesteld dat geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat appellant de wettelijke wachttijd niet heeft volgemaakt. Dit besluit staat in rechte vast.
4.6.
Bij uitspraak van 18 december 2019 (zaaknummer 16/6124 ZW) heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv de ZW-uitkering van appellant op goede gronden heeft beëindigd met ingang van 23 augustus 2015.
4.7.
Nu uit de overwegingen 4.5 en 4.6 volgt dat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt, kan geen sprake zijn van toepassing van de regeling die ziet op toegenomen arbeidsongeschiktheid in het kader van de zogeheten Wet Amber.
4.8.
Ook de beroepsgrond van appellant dat artikel 23, vijfde lid, van de Wet WIA tot ongeoorloofde discriminatie leidt slaagt niet. Er is geen sprake van een ongeoorloofde ongelijke behandeling tussen zogenoemde vangnetters en niet-vangnetters. In dit verband wordt verwezen naar wat de Raad hierover in zijn uitspraak van 10 januari 2018, ELCI:NL:CRVB:2018:57, heeft overwogen ten aanzien van het verschil in de maatstaf arbeid tussen vangnetters en niet-vangnetters. Ten aanzien van de vangnetters onderling geldt dat hun rechtspositie voor allen op dezelfde wijze is geregeld.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2019.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) M. Graveland