Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-12-17
ECLI:NL:CRVB:2019:4094
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,260 tokens
Inleiding
193353 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo van 27 juni 2019
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
Datum uitspraak: 17 december 2019
Procesverloop
Bij uitspraak van 12 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1111) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 januari 2018 (17/1569 en 17/1570) vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Op 27 juni 2019 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit).
Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 12 maart 2019. Hij volstaat nu met het volgende.
1.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 maart 2019 geoordeeld dat de bijstand van appellant over de periode van 20 april 2016 tot en met 15 december 2016 terecht is ingetrokken omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de hennepkwekerij in zijn woning, maar dat voor de intrekking van bijstand van appellant over de periode van 16 november 2015 tot en met 19 april 2016 geen toereikende grondslag bestaat. De Raad heeft vervolgens, voor zover van belang, geoordeeld dat het college een nieuwe berekening moet maken van het terug te vorderen bedrag over de periode van 20 april 2016 tot en met 15 december 2016 en het college opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant voor zover het de terugvordering betreft.
2. Het college heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college, voor zover van belang, de over de periode van 20 april 2016 tot en met 1 oktober 2016 (datum blokkering van de bijstand) gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.667,83 bruto van appellant teruggevorderd, waarvan na verrekening van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding een vordering resteert van € 3.423,83.
3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit, kort weergegeven, aangevoerd dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij niet betrokken is geweest bij de niet in werking zijnde hennepkwekerij, waaruit hij dan ook geen inkomsten heeft verworven. Volgens appellant is de intrekking van bijstand ook in deze procedure in geschil en dient van terugvordering te worden afgezien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 maart 2019 een eindoordeel gegeven over de intrekking van bijstand over de periode van 20 april 2016 tot en met 15 december 2016 en de daaraan ten grondslag liggende schending van de inlichtingenverplichting door appellant met betrekking tot de hennepkwekerij. Wat appellant hier opnieuw tegen inbrengt kan niet meer aan de orde komen, omdat de omvang van het geding, anders dan aangevoerd, is beperkt tot de vraag of het college met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. En dat is hier het geval. Het college heeft immers bij het bestreden besluit, conform de bij de uitspraak van 12 maart 2019 door de Raad gegeven opdracht, een nieuwe berekening gemaakt van het terug te vorderen bedrag over de periode van 20 april 2016 tot en met 15 december 2016. Het college heeft dit bedrag na verrekening vastgesteld op € 3.423,83. Appellant heeft daartegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2019 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van C. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2019.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) C. van de Ven