Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-12-03
ECLI:NL:CRVB:2019:3943
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,411 tokens
Inleiding
19 697 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 3 december 2019
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 december 2018, 18/2967 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Bou-Asrar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 20 maart 2018 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van bewindvoering voor 2018.
1.2.
Het college heeft bij brief van 27 maart 2018 aan appellant gevraagd om vóór 10 april 2018 de in die brief genoemde en nog ontbrekende gegevens te verstrekken en daarbij te kennen gegeven dat als appellant die gegevens niet of niet volledig verstrekt, dit tot gevolg kan hebben dat het college zijn aanvraag niet verder in behandeling zal nemen.
1.3.
Bij besluit van 11 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 augustus 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gevraagde stukken daadwerkelijk per post naar het college heeft verzonden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag en dat appellant hier redelijkerwijs over kon beschikken.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de ook door de rechtbank genoemde uitspraak van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2254, ligt het risico dat een niet aangetekend verzonden brief de geadresseerde niet bereikt bij de afzender. Dat brengt in een geval als dit, waar het college stelt de verzonden stukken niet binnen de gestelde termijn te hebben ontvangen, met zich dat het op de weg van appellant ligt de tijdige verzending hiervan aannemelijk te maken. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde stukken ter post zijn bezorgd. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat de in de bezwaarprocedure overgelegde kopie van de brief van 27 maart 2018, met daarop de stempels “ontvangen 29 maart 2018” en “verzonden 3 april 2018”, alsook de verklaring van de bewindvoerder dat hij zeker weet dat hij de gevraagde stukken heeft verstuurd, daartoe onvoldoende is. Verder is de verklaring van een medewerker van de postkamer over de wijze waarop de ontvangst en de verzending van poststukken binnen het bewindvoerderskantoor is geregeld te algemeen van aard om daaruit conclusies te kunnen trekken over de verzending van de gevraagde gegevens in het hier voorliggende geval.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat dat het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. Ook in wat appellant heeft aangevoerd, is geen aanleiding gelegen om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2019.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) V.Y. van Almelo