Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-06-11
ECLI:NL:CRVB:2019:1996
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,510 tokens
Inleiding
18 763 PW
Datum uitspraak: 11 juni 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 januari 2018, 17/5394 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats 1] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S.A. Adjiembaks, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college en appellant hebben beiden nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. de Miranda, advocaat, waarnemend voor mr. Adjiembaks. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.V. de Graaf en V.W.W. van der Ham.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 4 september 2011 van het college bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Hij had daartoe opgegeven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats 1] (uitkeringsadres) te wonen. Hij stond op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, thans basisregistratie personen (BRP). [in] 2015 is zijn dochter geboren. Zij woonde ten tijde hier van belang, tezamen met haar moeder, de vriendin van appellant, op het adres [Adres 1] te
[woonplaats 2] ( [Adres 2] ).
1.2.
Een fraudepreventiemedewerker van de gemeente Diemen (toezichthouder), heeft in 2017 een periodiek heronderzoek verricht naar het recht op bijstand van appellant. In dat kader heeft hij van appellant bankafschriften opgevraagd over de periode van oktober tot en met december 2017. Appellant heeft daarop bankafschriften van de rekening met nummer (…)429 overgelegd. De toezichthouder heeft daaruit geconcludeerd dat appellant hoofdzakelijk geld pinde in [woonplaats 2] . Naar aanleiding hiervan en omdat appellant in het kader van re-integratiegesprekken had verklaard vaak bij zijn vriendin op het [Adres 2] te verblijven, heeft de toezichthouder in de periode van 21 januari 2017 tot en met 8 maart 2017 op 20 dagen op verschillende tijdstippen waarnemingen verricht. Deze waarnemingen vonden 36 keer plaats bij het [Adres 2] en twee keer bij het uitkeringsadres. Daarbij is op 9 dagen geconstateerd dat appellant de woning op het [Adres 2] verliet en met de auto van zijn vriendin wegreed. De toezichthouder heeft uit deze waarnemingen geconcludeerd dat appellant veelvuldig op het [Adres 2] verbleef. Naar aanleiding van deze conclusies heeft de toezichthouder, tezamen met een consulent in dienst van de gemeente Diemen, appellant op 9 maart 2017 gehoord. De toezichthouder heeft van de verklaring die appellant daarbij heeft afgelegd een schriftelijk verslag opgemaakt en dat verslag aangevuld met een rapport van 30 mei 2017. Appellant heeft volgens het verslag verklaard – samengevat weergegeven – dat hij sinds de geboorte van zijn dochter de meeste tijd, vier tot vijf nachten, op het [Adres 2] verblijft. Volgens de verklaring van de toezichthouder in voormeld rapport is hiermee vier tot vijf nachten per week bedoeld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een ongedateerd rapport van bevindingen.
1.3.
De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
28 maart 2017 de bijstand van appellant met ingang van 18 januari 2015 in te trekken en om bij besluit van 11 mei 2017 de kosten van bijstand over de periode van 18 januari 2015 tot en met 28 februari 2017 van hem terug te vorderen tot een bedrag van € 30.806,16.
1.4.
Bij besluit van 27 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 28 maart 2017 en 11 mei 2017 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant sinds 18 januari 2015 zijn woonplaats niet meer in de gemeente Diemen heeft, aangezien hij hoofdzakelijk verblijft bij zijn vriendin en dochter in [woonplaats 2] . Nu appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan heeft appellant, gelet op artikel 40 van de PW, vanaf die datum ten onrechte bijstand ontvangen van de gemeente Diemen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij weliswaar veel in [woonplaats 2] verbleef, maar dat hij is blijven wonen in [woonplaats 1] . Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie van het college dat hij zijn woonplaats in [woonplaats 1] heeft prijsgegeven onvoldoende is onderbouwd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 18 januari 2015 tot en met 28 februari 2017.
4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie, in dit geval het college, de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
Het college heeft het bestreden besluit gebaseerd op het standpunt dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan omdat appellant in de te beoordelen periode geen woonplaats meer had in [woonplaats 1] , als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW. In geschil is of het college dit standpunt toereikend heeft onderbouwd.
4.4.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560.
4.5.
Zoals de Raad eerder in dit verband heeft overwogen (uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937), is voor het antwoord op de vraag waar iemand woont bepalend de plaats waar hij werkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. Vergelijk de uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de BRP.
4.6.
Niet in geschil is dat appellant tot 18 januari 2015 woonplaats had in [woonplaats 1] . Het college heeft aan zijn standpunt dat appellant zijn woonplaats in [woonplaats 1] met ingang van
18 januari 2015 heeft verloren, ten grondslag gelegd dat appellant het merendeel van de tijd in [woonplaats 2] verbleef. Het college heeft dit geconcludeerd uit de door appellant op
9 maart 2017 afgelegde verklaring, zoals onder 1.2 samengevat weergegeven. Het college ziet voor die conclusie ondersteuning in de onderzoeksbevindingen die aanleiding waren voor het gesprek op 9 maart 2017, zoals aangevuld met de bevindingen van een naderhand, in april 2018, uitgevoerd buurtonderzoek.
4.7.
Appellant betwist dat deze onderzoeksbevindingen de conclusie van het college kunnen dragen. Daarbij heeft appellant onder meer gewezen op de bankafschriften over de periode van 4 mei 2015 tot en met 26 augustus 2015, die hij in de bezwaarprocedure heeft overgelegd. Daaruit volgt dat hij in die periode vaker in [woonplaats 1] geld heeft gepind dan in [woonplaats 2] . Verder heeft hij gewezen op door hem overgelegde verklaringen van buurtbewoners en op een overzicht van KPN over de periode van juni 2015 tot en met december 2016, waaruit volgt dat in die periode veelvuldig van de vaste telefoon op het uitkeringsadres gebruik is gemaakt. Verder heeft appellant ter zitting naar voren gebracht dat zijn bezittingen, post en administratie zich in zijn woning op het uitkeringsadres bevinden en dat dit in de te beoordelen periode niet anders was.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- vernietigt het besluit van 27 juli 2017;
- herroept de besluiten van 28 maart 2017 en 11 mei 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de
plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 juli 2017;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.072,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 172,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en F. Hoogendijk en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2019.
(getekend) M. Hillen
(getekend) J. Tuit