Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-05-07
ECLI:NL:CRVB:2019:1694
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
787 tokens
Inleiding
182622 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 maart 2018, 17/1003 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)
Datum uitspraak: 7 mei 2019
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: S.H.H. Slaats
Ter zitting is appellant verschenen, bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J. Olthof.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Geschil
2. Ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:
a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en;
b. het niet tijdig nemen van een besluit.
3. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
4. Vaststaat dat het verzoek van 9 juni 2016 moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De brief van 12 juli 2016 kan naar inhoud en strekking niet worden aangemerkt als een afwijzing van dat verzoek en is daarom geen besluit dan wel beschikking als bedoeld in artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb.
5. In de brief van 12 juli 2016 heeft het college weliswaar informatie verstrekt over de mogelijkheid van een herzieningsprocedure bij de Raad maar, anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college ook impliciet te kennen gegeven dat geen beslissing op het verzoek van appellant zal volgen. Voor een schriftelijke weigering een besluit te nemen is niet vereist dat die weigering expliciet kenbaar moet zijn (vgl. ECLI:NL:RVS:2011:BR6870). De brief moet in zoverre worden aangemerkt als een schriftelijke weigering een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb die gelijkgesteld wordt met een besluit, waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt (vgl. ECLI:NL:CRVB:2016:4941 en ECLI:NL:CRVB:2010:BK8912). Bij de rechtbank stond in dit geval dus geen rechtstreeks beroep open, zodat het beroep (niet tijdig beslissen) terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard.
6. Het hoger beroep slaagt niet.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.H.H. Slaats (getekend) M. Hillen