Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-04-23
ECLI:NL:CRVB:2019:1450
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,451 tokens
Inleiding
174910 PW, 17/6111 PW
Datum uitspraak: 23 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2017, 17/534 (aangevallen uitspraak 1), en van 25 juli 2017, 17/2239
(aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant en het college hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 11 december 2018. Voor appellant is mr. Vetter verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal en mr. S.S. Kisoentewari.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 14 september 2016 bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van een contra-expertise. Hij heeft daarbij, voor zover van belang, vermeld dat hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ontvangt en dat hij in het kader van een procedure bij de rechtbank een contra-expertise door een psychiater dient over te leggen voor het zaaien van twijfel over zijn arbeidsbeperkingen.
1.2.
Bij besluit van 29 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
19 december 2016 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten van een contra-expertise in een
WIA-procedure niet noodzakelijk zijn.
1.3.
Appellant heeft op 17 januari 2017 bijzondere bijstand op grond van de PW aangevraagd voor advieskosten van derden (lees: kosten van een contra-expertise).
1.4.
Bij besluit van 31 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 maart 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten van een contra-expertise door een bedrijfsarts in een
WIA-procedure niet noodzakelijk zijn.
2.1.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
2.2.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellant heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij op grond van het beginsel van wapengelijkheid (equality of arms) dient te beschikken over een medische contra-expertise in zijn
WIA-procedure, zodat de kosten daarvan noodzakelijk zijn. Appellant doet een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) en de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.3.
Tussen partijen is in geschil of de door appellant gevraagde kosten van een contra-expertise noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is komt het bijstandverlenend orgaan, gelet op de tekst van dat artikellid, geen beoordelingsvrijheid toe. De bestuursrechter dient zich daarover ten volle een eigen oordeel te vormen.
4.4.
Het ligt op de weg van appellant als aanvrager van bijzondere bijstand om de noodzaak van de gevraagde kosten van een contra-expertise aannemelijk te maken. Appellant is daarin niet geslaagd.
4.5.
De Raad heeft eerder over bijzondere bijstand en het verrichten van een contra-expertise in een arbeidsongeschiktheidsprocedure geoordeeld (uitspraken van 13 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1529 en 3 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:637) dat de kosten van een contra-expertise niet noodzakelijk zijn. De Raad heeft in dat verband overwogen dat de betrokkene zijn argumenten zo nodig kan onderbouwen met medische stukken uit de behandelend sector. Uit het arrest Korošec volgt niet dat appellant in zijn WIA-procedure - in weerwil van die rechtspraak - zonder meer dient te beschikken over deskundig tegenadvies ter bestrijding van het advies van de verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
4.6.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. De Raad heeft daarbij overwogen dat de kern van het beginsel van de equality of arms erin is gelegen dat slechts als evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen het Uwv en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld. De betrokkene kan in dit geval bijvoorbeeld alsnog de gelegenheid krijgen (medische) gegevens in te brengen of in de gelegenheid gesteld worden zelf een deskundige in te schakelen. Daarbij kan van de bestuursrechter worden gevergd dat deze verduidelijkt wat nodig is. Als de betrokkene (medische) stukken in het geding brengt, moet de bestuursrechter beoordelen of deze stukken een redelijke mogelijkheid vormen voor betrokkene om de bestuursrechter van zijn standpunt te overtuigen. Als het de betrokkene in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen geen nadere medische stukken ter onderbouwing van zijn (hoger) beroep te hebben ingediend of de bestuursrechter de door betrokkene ingediende stukken naar hun aard niet geschikt acht om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld omdat een behandelend arts genoodzaakt is de informatie beperkt te verstrekken, ligt het op de weg van de bestuursrechter betrokkene voor deze bewijsnood zo nodig compensatie te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van benoeming van een onafhankelijke (medisch) deskundige.
4.7.
Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het aan de rechter in de desbetreffende arbeidsongeschiktheidsprocedure is om een eventuele onevenwichtigheid in bewijspositie tussen betrokkene en het Uwv weg te nemen. Daaruit volgt dat indien betrokkene zelf een (medisch) deskundige inschakelt, de kosten daarvan in beginsel niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW kunnen worden aangemerkt. Het laten verrichten van een contra-expertise betreft dan een eigen afweging, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand kan worden verleend.
4.8.
Appellant heeft gesteld dat hij na de afwijzing van zijn aanvragen om bijzondere bijstand geld heeft geleend voor het verrichten van een contra-expertise en dat deze contra-expertise heeft geleid tot benoeming door de rechtbank van een onafhankelijke deskundige in zijn WIA-procedure.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt aangevallen uitspraak 1;
- bevestigt aangevallen uitspraak 2;
- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2019.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) J. Smolders
md