Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-04-17
ECLI:NL:CRVB:2019:1438
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,513 tokens
Inleiding
17/5580 WW
Datum uitspraak: 17 april 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
23 juni 2017, 17/542 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 17/5579 WW en 17/5582 WW, plaatsgevonden op 6 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.C. Bastings. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
1.1.
Appellante was sinds 1 december 2010 in dienst bij [naam werkgeefster B.V.] (werkgeefster) als [naam functie]. Op 10 mei 2016 is werkgeefster in staat van faillissement verklaard. Op
18 mei 2016 heeft de curator de arbeidsovereenkomst van appellante opgezegd.
1.2.
Op 23 mei 2016 heeft appellante het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van werkgeefster wegens betalingsonmacht (faillissementsuitkering) over te nemen. Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en werkgeefster. In bezwaar heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd en op 21 december 2016 een voorgenomen beslissing op bezwaar kenbaar gemaakt waarbij appellante alsnog een faillissementsuitkering zal worden toegekend. Daarbij is een specificatie gevoegd van de door het Uwv over te nemen bedragen. Gemachtigde van appellante heeft telefonisch kenbaar gemaakt dat appellante instemt met de voorgenomen beslissing.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 9 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 augustus 2016 gegrond verklaard en is appellante alsnog in aanmerking gebracht voor een faillissementsuitkering. Hierbij is het uit te keren bedrag aan vakantiegeld in overeenstemming met de voorgenomen beslissing op bezwaar bepaald op basis van 120,75 vakantie-uren.
2.1.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In dat beroep heeft zij aangevoerd dat het Uwv in het kader van hoofdstuk IV van de WW niet het juiste aantal vakantie-uren heeft overgenomen. Volgens appellante blijkt uit de loonstroken van november en december 2015 dat, zonder dat verlofuren zijn opgenomen, 58,09 uren zijn ‘verdwenen’.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen – voor zover hier relevant – dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR6424) vorderingen niet voor overneming op basis van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komen als zij niet duidelijk aanwijsbaar zijn, niet voldoende concreet zijn en aan gerede twijfel onderhevig zijn. De rechtbank heeft erop gewezen dat op de salarisstroken, naast het begin- en eindsaldo aan vakantie-uren in de betreffende maand, alleen het totaal aantal in die maand af- en bijgeschreven vakantie-uren is vermeld. Niet blijkt wanneer en hoeveel vakantie-uren op een bepaalde dag zijn bij- of afgeschreven dan wel zijn opgenomen. Appellante heeft geen registratie overgelegd van haar bijgeschreven en opgenomen vakantie-uren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv onder deze omstandigheden kunnen stellen dat de vordering van appellante aan gerede twijfel onderhevig is en daarom niet kan worden toegewezen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan appellante is om aan te tonen dat zij de verdwenen vakantie-uren, dat wil zeggen het verschil tussen het eindsaldo aan vakantie-uren op een loonstrook en het beginsaldo aan vakantie-uren op de daarop volgende loonstrook, niet heeft opgenomen. Volgens appellante zou de burgerlijke rechter haar vordering aan vakantie-uren hebben toegewezen, aangezien het volgens de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst Taxivervoer (CAO) aan werkgeefster is om een administratie bij te houden van de door werknemer opgenomen, respectievelijk uitbetaalde vakantiedagen. Het tegoed aan
vakantie-uren werd door werkgeefster op de loonstroken vermeld. Appellante heeft de op de loonstroken vermelde saldi aan vakantie-uren niet voor akkoord geparafeerd, terwijl dit wel is voorgeschreven in de CAO. Dit betekent volgens appellante dat het aan werkgeefster is om te bewijzen dat appellante de volgens haar ten onrechte afgeschreven vakantie-uren daadwerkelijk heeft opgenomen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv is het aan appellante om aan te tonen dat het aantal over te nemen vakantie-uren onjuist is. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van appellante niet duidelijk aanwijsbaar, onvoldoende concreet en aan gerede twijfel onderhevig is. Gelet hierop acht het Uwv de kans dat de burgerlijke rechter de vordering van appellante zou hebben toegewezen zeer klein, zodat de vordering niet voor overname in aanmerking komt. Ten slotte heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele gegrondverklaring van het beroep appellante zelf de proceskosten moet dragen, omdat het aan haar eigen handelwijze te wijten is dat zij beroep heeft moeten instellen. Appellante heeft namelijk ingestemd met de voorgenomen beslissing op bezwaar, waarbij onder meer het aantal over te nemen vakantie-uren is vastgesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
In artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW is bepaald – voor zover hier van belang – dat het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW het vakantiegeld over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd omvat.
4.1.2.
In artikel 64, derde lid, van de WW is – voor zover hier van belang – bepaald dat de hoogte van de uitkering van het vakantiegeld, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt berekend op grond van de aanspraak op vakantiedagen die de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking heeft.
4.2.
De door het Uwv over te nemen verplichtingen worden bepaald door wat een werkgever en een werknemer in hun rechtsverhouding zijn overeengekomen of wat uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit. Ter vaststelling van de aanspraken van een werknemer op een werkgever moet de bestuursrechter zelfstandig uit het burgerlijk recht voortvloeiende verplichtingen van een tot betaling onmachtige werkgever en de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de werknemer en de werkgever beoordelen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 9 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1243 en van 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1820). Het is vaste rechtspraak van de Raad dat vorderingen niet voor overneming op basis van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komen als zij niet duidelijk aanwijsbaar zijn, niet voldoende concreet zijn en aan gerede twijfel onderhevig (zie de uitspraak van 24 november 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR6424). Dat betekent dat de bestuursrechter zich een oordeel heeft te vormen of uit het arbeidsrecht en de arbeidsrechtelijke rechtspraak voortvloeit dat een tussen de werkgever en zijn werknemer niet vaststaande aanspraak aan de eis van aanwijsbaarheid voldoet en zo concreet is dat die vordering, ware zij aan de burgerlijke rechter ter beoordeling voorgelegd, zou zijn toegewezen.
4.3.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv de omvang van het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW juist heeft vastgesteld. Tussen partijen is alleen de hoogte van het door het Uwv overgenomen bedrag aan vakantiegeld in geschil, waarbij het geschil zich toespitst op de vraag of het Uwv het juiste aantal vakantie-uren heeft overgenomen. Niet in geschil is dat de periode waarover het vakantiegeld door het Uwv kan worden overgenomen de periode betreft van 29 juni 2015 tot en met 28 juni 2016.
4.4.
Het Uwv heeft als uitgangspunt voor de berekening van het aantal vakantie-uren bij het einde van de dienstbetrekking het eindsaldo genomen op de laatste loonstrook, dit is de loonstrook van april 2016. Vervolgens heeft het Uwv voor de maanden mei en juni 2016 zelf de opgebouwde vakantie-uren berekend.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 januari 2017;
- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van
deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden
ingesteld;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.116,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2019.
(getekend) H.G. Rottier
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
md