Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-03-01
ECLI:NL:CRVB:2018:598
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
796 tokens
Inleiding
17/5564 AW
Datum uitspraak: 1 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 oktober 2016, 16/1249 AW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Procesverloop
Verzoeker heeft bij brief van 3 augustus 2017 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3728.
De staatssecretaris heeft hierop een schriftelijke reactie gegeven.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 januari 2018. Verzoeker is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.W. Top.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft een verzoek van appellant om de waarde van 847
compensatie-uren, gespaard in de jaren 2002 tot en met 2006, aan zijn levenslooptegoed toe te voegen bij besluit van 2 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2015 (bestreden besluit), afgewezen.
2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2016, 15/4504, bevestigd voor zover aangevochten. Overwogen is dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.
3. Verzoeker heeft in zijn herzieningsverzoek, samengevat, betoogd dat de Raad zijn verzoek ten onrechte heeft getoetst aan de bepalingen van de Levensloopregeling rijkspersoneel, in plaats van aan de bepalingen van de van toepassing zijnde Verlofspaarregeling rijkspersoneel.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn;
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
Verzoeker heeft geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, naar voren gebracht. Verzoeker poogt met zijn argumenten een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 6 oktober 2016. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2180) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies. Daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) L.V. van Donk
HD