Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-09-20
ECLI:NL:CRVB:2018:2950
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,661 tokens
Inleiding
167173 WAO
Datum uitspraak: 20 september 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 oktober 2016, 16/968 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. P.L.E.M. Krauth, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Namens appellante is verschenen mr. Krauth. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
Overwegingen
1.1.
Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de vraag of appellante inkomsten heeft ontvangen uit werkzaamheden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 27 augustus 2014. Op basis van dit onderzoek heeft het Uwv vastgesteld dat sprake is geweest van inkomsten in de perioden van
1 januari 2004 tot 1 januari 2005 en van 18 augustus 2010 tot 2 september 2010 die niet bij het Uwv bekend waren.
1.3.
Bij besluit van 11 november 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante in verband met door haar ontvangen inkomsten haar WAO-uitkering, met toepassing van artikel 44 van de WAO, in de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 ingedeeld zou moeten zijn in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65% en in de periode van 18 augustus 2010 tot 2 september 2010 in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Het Uwv heeft de hierdoor over die perioden onverschuldigd aan appellante betaalde WAO-uitkering van € 6.259,11 bruto van haar teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 11 november 2015 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 52,-. Bij besluit van 17 november 2015 is een bedrag van € 6.259,11 van appellante ingevorderd. Het Uwv heeft het bezwaar tegen deze drie besluiten bij beslissing op bezwaar van 18 maart 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in de in het bestreden besluit genoemde perioden pups heeft gefokt, kalenders heeft verkocht en scripties heeft uitgetypt. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze activiteiten aan te merken zijn als het verrichten van werkzaamheden met een economische betekenis. Dat appellante haar werkzaamheden zag als hobby en dat zij geen geldelijk gewin voor ogen heeft gehad maar enkel kostendekkend heeft geprobeerd te zijn, maakt dat niet anders. Gelet op de verklaringen van appellante afgelegd tegenover de handhavingsmedewerker van het Uwv, is voldoende aannemelijk geworden dat met deze werkzaamheden ook inkomsten zijn gegenereerd. Omdat appellante geen melding heeft gemaakt van haar inkomsten uit werkzaamheden, terwijl het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de inkomsten van invloed konden zijn op de hoogte van haar uitkering, heeft het Uwv terecht met terugwerkende kracht artikel 44 van de WAO toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van appellante op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet. Het Uwv was bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen, omdat appellante geen concrete gegevens over haar werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten heeft verstrekt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een redelijke schatting heeft gemaakt van deze inkomsten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het Uwv de schatting in het rapport van 27 augustus 2014 inzichtelijk heeft gemotiveerd. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij met haar werkzaamheden geen dan wel minder inkomsten heeft verworven dan door het Uwv is aangenomen. In wat appellante heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van de terugvordering.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep opnieuw gewezen op het hobbymatige karakter van haar bezigheden. Appellante had geen geldelijk gewin voor ogen, maar probeerde enkel kostendekkend te zijn. Appellante had al voor het verkrijgen van de WAO-uitkering het fokken van honden als hobby en zij zag mede daarom de relevantie voor de uitkering niet, ook omdat zij naar haar mening geen inkomsten genoot uit het fokken van honden. Appellante heeft een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan, omdat zij altijd met de medewerkers van het Uwv over haar honden heeft gesproken. Appellante heeft, onder verwijzing naar de door haar in beroep ingebrachte berekening, haar stelling herhaald dat de opbrengsten uit de verkoop van de pups in de betreffende perioden niet opwegen tegen de in deze perioden en daaraan voorafgaande jaren gemaakte kosten.
3.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv meegedeeld dat het Uwv het standpunt heeft gewijzigd in die zin, dat de inkomsten van appellante door het uittypen van scripties ten onrechte bij de berekening van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid zijn betrokken. Dat heeft geleid tot een herberekening van de korting over de periode van 18 augustus 2010 tot 2 september 2010 op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Als gevolg van de aldus gewijzigde korting is het in het bestreden besluit vervatte terugvorderingsbedrag verlaagd tot € 6.134,24. Het boetebesluit wordt niet langer gehandhaafd. Namens het Uwv is verzocht het bestreden besluit gewijzigd te willen lezen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.1 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
In de eerste plaats wordt vastgesteld dat het bestreden besluit, gelet op het verhandelde ter zitting, aldus moet worden begrepen dat in verband met inkomsten uit arbeid de
WAO-uitkering van appellante, berekend naar de klasse 80 tot 100%, met toepassing van artikel 44 van de WAO, over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 volgens de klasse 55 tot 65% had moeten worden uitbetaald en over de periode van 18 augustus 2010 tot 2 september 2010 volgens de klasse 45 tot 55%. De volgens het Uwv te veel betaalde
WAO-uitkering bedraagt in verband met deze toepassing van artikel 44 van de WAO
€ 6.134,24 en wordt teruggevorderd.
4.3.
Zoals namens appellante ter zitting is bevestigd, spitst het geschil zich toe op de vraag hoe de activiteiten van appellante in de periode in geding moeten worden bestempeld, of het Uwv terecht met terugwerkende kracht toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de
WAO en of het Uwv de inkomsten juist heeft vastgesteld.
4.4.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de activiteiten van appellante in de genoemde perioden zijn aan te merken als werkzaamheden met een economische betekenis en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd worden volledig onderschreven. Voorts staat vast dat appellante deze werkzaamheden niet onverwijld uit eigen beweging aan het Uwv heeft gemeld. Daarmee heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden en als gevolg daarvan heeft het Uwv ten onrechte WAO-uitkering uitbetaald. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het Uwv terecht met terugwerkende kracht toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO. Van schending van het vertrouwensbeginsel is niet gebleken. Appellante heeft haar stelling dat zij eerder de verkoop van pups bij het Uwv heeft genoemd niet onderbouwd.
4.5.
Omdat appellante geen concrete verifieerbare en relevante gegevens over haar werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten heeft verstrekt, was het Uwv volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 20 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2083) bevoegd om de inkomsten op een redelijke wijze in te schatten. Wel zal aan die schatting voldoende onderzoek moeten voorafgaan. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over het inkomen van appellante vallen geheel binnen haar risicosfeer.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de fictieve mate van de arbeidsongeschiktheid over de periode van 18 augustus 2010 tot 2 september 2010 en de hoogte van het terugvorderingsbedrag is vastgesteld en voor zover daarbij het boetebesluit van 11 november 2015 is gehandhaafd;
herroept het boetebesluit van 11 november 2015;
stelt de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 18 augustus 2010 tot 2 september 2010 vast op 45 tot 55%;
stelt het door het Uwv van appellante terug te vorderen bedrag vast op € 6.134,24;
bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.006,-;
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2018.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) W.M. Swinkels
KS