Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-06-28
ECLI:NL:CRVB:2018:1975
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,871 tokens
Inleiding
18/2344 PW-VV, 18/2066 PW
Datum uitspraak: 28 juni 2018
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 maart 2018, 17/2055 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 30 april 2018.
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekster heeft hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door drs. H.L. Cairo. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.F. Sturmans.
Overwegingen
1. De Raad gaat - onder verwijzing naar de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de uitspraak van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1569 - uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoekster ontvangt sinds 1 januari 2005 een aanvulling op haar ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), sinds 1 januari 2007 van de Svb, laatstelijk in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Bij besluit van 26 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 november 2013, voor zover van belang, heeft de Svb de AIO-aanvulling van verzoekster met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken en de over de periode van januari 2007 tot en met juli 2013 gemaakte kosten van AIO-aanvulling tot een bedrag van € 50.779,25 teruggevorderd.
1.2.
Bij brief van 23 december 2013 heeft de Svb verzoekster geïnformeerd dat het onder 1.1 genoemde terugvorderingsbedrag binnen zes weken aan de Svb dient te worden overgemaakt.
1.3.
De Svb heeft bij besluit van 11 januari 2017, gehandhaafd bij besluit van 6 maart 2017 (bestreden besluit), verzoekster geïnformeerd dat in verband met de onder 1.1 genoemde terugvordering, met ingang van januari 2017 maandelijks een bedrag van € 200,- zal worden verrekend met haar AOW-pensioen. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat verzoekster niet heeft voldaan aan haar verplichting om mee te werken aan het inkomensonderzoek, zodat, ingevolge artikel 60, zesde lid van de Participatiewet (PW), bij de verrekening geen rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitgekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4.4.
Zoals onder 1.1 is weergegeven heeft de Svb bij besluit van 26 juli 2013 de
AIO-aanvulling van verzoekster met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van AIO-aanvulling van haar teruggevorderd. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat niet dit besluit maar de onder 1.2 genoemde brief van 23 december 2013 aangemerkt dient te worden als het besluit tot terugvordering. Nu dit besluit nog niet in rechte vaststaat, mag de Svb niet tot invordering of verrekening op grond van artikel 60 van de PW overgaan. Niet in geschil is, wat er verder zij van het betoog van verzoekster, dat de Svb een besluit tot terugvordering heeft genomen. Of dat besluit tot terugvordering al dan niet in rechte vaststaat is, anders dan verzoekster meent, niet van belang voor de vraag of de Svb tot invordering of verrekening mag overgaan. Deze beroepsgrond van verzoekster slaagt dan ook niet.
4.5.
Voorts blijkt uit de bij besluit van 11 januari 2017 meegestuurde uitkeringsspecificatie over de maand januari 2017 dat verzoekster een bedrag van € 383,45 aan AOW-pensioen ontvangt en een bedrag van € 682,45 als AIO-aanvulling hierop. Tevens blijkt uit deze specificatie dat op dit totale inkomen een bedrag van € 200,- wordt ingehouden. Anders dan verzoekster meent valt hierin op geen enkele wijze te lezen noch anderszins af te leiden, dat wordt ingevorderd op het gedeelte van dit inkomen dat betrekking heeft op haar AOW‑pensioen. Dit betekent dat deze beroepsgrond evenmin slaagt.
4.6.
Ingevolge artikel 60, eerste lid, van de PW, gelezen in samenhang met artikel 47a van de PW, is de persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd verplicht desgevraagd aan de Svb die inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering van belang zijn. Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder b, van artikel 60 geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Awb, niet zolang de belanghebbende de verplichtingen, als bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
4.7.
Nu verzoekster de Svb geen inzicht heeft gegeven in haar inkomsten, waaronder mogelijk die uit vermogen in Suriname, en uitgaven, waardoor de beslagvrije voet en daarmee de aflossingscapaciteit van verzoekster niet is vast te stellen, heeft de Svb, gelet op het onder 4.6 genoemde artikellid, het maandelijkse aflossingsbedrag op € 200,- mogen vaststellen.
4.8.
Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Er bestaat dan ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2018.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) C.A.E. Bon
ew