Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-06-12
ECLI:NL:CRVB:2018:1762
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
932 tokens
Inleiding
177343 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 december 2016, 15/3054 ANW-V
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats], Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 12 juni 2018
Procesverloop
Verzoekster heeft ‒ opnieuw ‒ verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van
20 december 2016, 15/3054 ANW-V.
Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 mei 2018, waar partijen
‒ de Svb met voorafgaand bericht ‒ niet zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak van 20 december 2016 heeft de Raad het verzet van verzoekster tegen de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016 ongegrond verklaard. De Raad heeft geoordeeld dat het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27 augustus 2014, 14/729, terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het verschuldigde griffierecht niet is betaald en het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
3. Verzoekster heeft gevraagd haar recht op nabestaandenuitkering opnieuw te beoordelen.
4. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat immers geen gronden die betrekking hebben op de reden waarom het verzet bij de uitspraak van 20 december 2016 ongegrond is verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers
UM
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale);
statue:
Rejète la demande de révision.
Par conséquent, décidée par H.C.P. Venema comme membre, en présence de
N.L. Kuipers en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 12 juin 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers
UM