Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-01-16
ECLI:NL:CRVB:2018:120
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,380 tokens
Inleiding
17240 PW, 17/242 PW
Datum uitspraak: 16 januari 2018
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2016, 16/874 en 16/1702 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017. Namens appellante is mr. De Kaste verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
C. van den Bergh.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 6 maart 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Naar aanleiding van twee meldingen dat appellante vanaf ongeveer 23 juni 2015 in het buitenland verblijft en over vermogen beschikt, heeft een handhavingsspecialist van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht appellante bij brief van 11 augustus 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 13 augustus 2015 en verzocht de in de brief vermelde gegevens mee te nemen. Appellante is niet verschenen.
1.3.
Bij besluit van 13 augustus 2015 heeft het college het recht op bijstand met ingang van
13 augustus 2015 opgeschort, appellante in de gelegenheid gesteld te verschijnen op een gesprek op 17 augustus 2015, haar verzocht om onder andere bankafschriften mee te nemen en, indien zij met vakantie is geweest of in het buitenland heeft verbleven, gegevens te verstrekken over de periode en het land waar zij heeft verbleven. Appellante is niet verschenen.
1.4.
Bij besluit van 24 augustus 2015 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellante herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 6 maart 2015 tot en met
12 augustus 2015 en de bijstand met ingang van 13 augustus 2015 ingetrokken. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 6 maart 2015 tot en met
12 augustus 2015 tot een bedrag van € 2.062,- van appellante teruggevorderd. Aan besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft gereageerd op de uitnodigingen en niet de gevraagde informatie heeft verstrekt, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.5.
Bij besluit van 16 oktober 2015 (besluit 2) heeft het college aan appellante een boete opgelegd van een € 1.032,-.
1.6.
Bij besluit van 23 december 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Het bezwaar tegen besluit 1 is niet tijdig ingediend en er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Appellante had voorafgaand aan een verblijf voor langere duur in het buitenland aan het college moeten doorgeven op welke wijze zij bereikt zou kunnen worden of had ervoor zorg moeten dragen dat de post adequaat behandeld zou worden. Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden door niet te reageren op informatieverzoeken en het langdurig verblijf in het buitenland niet te melden. Er is sprake van normale verwijtbaarheid.
1.7.
Op 12 oktober 2015 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 2 december 2015 heeft het college aan appellante een voorschot verstrekt van
€ 866,36 in de vorm van een lening.
1.8.
Omdat eerder bij het onderzoek voorafgaande aan de intrekking naar voren kwam dat appellante mogelijk niet op het opgegeven adres haar hoofdverblijf had, heeft de afdeling handhaving van de gemeente Utrecht een onderzoek verricht naar haar woon- en leefsituatie. In dat kader hebben handhavingsspecialisten onder andere appellante gehoord en hebben zij aansluitend huisbezoeken afgelegd aan het door appellante opgegeven adres [adres] (opgegeven adres) en aan het adres van haar ouders. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 15 december 2015.
1.9.
Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van
16 december 2015 (besluit 3) het verleende voorschot teruggevorderd op de grond dat appellante geen recht heeft op bijstand. Bij besluit van 21 december 2015 (besluit 4) heeft het college de aanvraag afgewezen.
1.10.
Bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Het ligt na een eerdere intrekking van de bijstand op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat nu wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het is niet aannemelijk dat appellante in de periode in geding haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Van belang hiervoor zijn de huisbezoeken. Appellante heeft onvoldoende inzicht gegeven in haar woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.11.
Aan appellante is na een daartoe strekkende aanvraag met ingang van februari 2016 weer bijstand verstrekt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1
en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 1 terecht niet-ontvankelijk verklaard. In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante om in geval van verblijf in het buitenland zorg te dragen voor een adequate behandeling van de post en de behartiging van haar belangen. Appellante had zo nodig gedurende haar afwezigheid wegens verblijf in het buitenland iemand kunnen vragen de post bij te houden. In de gestelde geestelijke en medische problematiek ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, nu deze omstandigheden niet door appellante zijn onderbouwd met medische en verifieerbare gegevens. Het college was voorts gehouden een boete op te leggen. Appellante heeft haar verblijf in het buitenland niet doorgegeven aan het college, is niet verschenen op de gesprekken van 13 en 17 augustus 2015 en heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt, waardoor appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De beroepsgrond dat appellante geen schuld had aan de schending van de inlichtingenverplichting heeft zij niet nader onderbouwd. Voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Niet is gebleken dat appellante niet in staat was haar verblijf in het buitenland door te geven. Een boete van € 1.032,- was in dit geval een evenredige sanctie. Verder heeft het college de aanvraag terecht afgewezen. Na intrekking van een bijstandsuitkering ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op het latere tijdstip wel aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen wordt voldaan. Appellante heeft in verband met haar aanvraag niet aangetoond dat zij haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Er was sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding wat betreft het bezwaar tegen besluit 1, omdat zij door omstandigheden niet eerder uit het buitenland kon terugkomen. In het kader van de boete was om die reden dan ook sprake van verminderde verwijtbaarheid. Voor wat betreft de aanvraag om bijstand heeft appellante meegewerkt aan het onderzoek naar haar woonsituatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Intrekking, terugvordering en boete (bestreden besluit 1)
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken beroepsgronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en Y.J. Klik en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2018.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) J.M.M. van Dalen
HD