Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-04-17
ECLI:NL:CRVB:2018:1185
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,423 tokens
Inleiding
167386 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
11 november 2016, 16/1859 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)
Datum uitspraak: 17 april 2018
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. I. Koster, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Koster. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R. Bouwmeester.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 2 november 2010 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Begin 2016 heeft het college een anonieme melding ontvangen, inhoudende dat appellante als dj werkzaam is. Een handhavingsmedewerker van de gemeente Enschede (medewerker) heeft naar aanleiding van deze melding een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van appellante. In dat kader heeft deze medewerker onder andere onderzoek gedaan op het internet en op 18 februari 2016 een gesprek met appellante gevoerd.
1.3.
Tijdens het gesprek op 18 februari 2016 heeft appellante verklaard dat zij bezig is met muziek en met dj-les, dat dit een hobby is, dat zij tot nu toe drie keer als dj heeft opgetreden, dat de eerste keer in 2016 was, dat zij vorige week een optreden heeft gehad en twee weken daarvoor ook, dat haar optredens onderscheidenlijk 20, 30 en 30 minuten duurden, dat zij voor die optredens niets betaald heeft gekregen en dat de entree en de drankjes gratis waren. Appellante heeft verder verklaard dat zij drie maanden geleden aan een medewerker van de gemeente Enschede heeft doorgegeven dat zij bezig was met muziek en met dj’en. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 februari 2016.
1.4.
Bij besluit van 16 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van
1 januari 2016 tot en met 29 februari 2016 herzien (lees: ingetrokken) en de over die
periode ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 1.848,12 van appellante teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door haar verrichte, op geld waardeerbare werkzaamheden als gevolg waarvan het recht op bijstand
niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 januari 2016 tot en met
29 februari 2016.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de te beoordelen periode drie maal
als dj heeft opgetreden. Het betreft optredens in de eerste week van januari 2016, op
30 januari 2016 en op 13 februari 2016. Evenmin is in geschil dat een optreden als dj in de vorm waarin appellante dit deed als zodanig een op geld waardeerbare activiteit is. Appellante heeft primair aangevoerd dat dit in haar geval anders is, aangezien de optredens slechts van korte duur waren en zij daarvoor geen beloning ontving.
4.3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De evenementen waar appellante optrad waren professioneel van opzet en tegen betaling van een entreeprijs van € 10,- toegankelijk voor een groot publiek. Deze evenementen hadden daarom een niet-besloten en commercieel karakter. Voor de aankondiging van de evenementen is voorts gebruikgemaakt van de diensten van een professioneel evenementenbureau. Gelet hierop brengt de door appellante gestelde context, anders dan zij kennelijk veronderstelt, niet met zich mee dat haar optredens als dj het op geld waardeerbare karakter daarvan hebben verloren.
4.3.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Dat appellante, naar zij stelt, geen geld ontving voor haar optredens is niet relevant, aangezien voor dergelijke activiteiten normaal gesproken inkomsten worden ontvangen of kunnen worden bedongen.
4.4.
Nu het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat haar onder 4.2 genoemde optredens als dj voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft appellante door van die activiteiten geen melding te maken bij het college de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.
4.5.
Schending van deze verplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.6.
Appellante heeft met betrekking tot de duur van de optredens en de daaruit genoten inkomsten geen deugdelijke administratie of boekhouding overgelegd. Op grond van de gedingstukken is voorts geen precies inzicht te verkrijgen in de duur van de optredens van appellante en de inkomsten die appellante in verband daarmee heeft ontvangen of had kunnen bedingen.
4.7.
Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand echter toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Indien na de schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2130.
4.8.
Appellante heeft als subsidiair standpunt aangevoerd dat het college haar inkomsten schattenderwijs had kunnen vaststellen op grond van het uitgangspunt dat een beginnend dj op een avond, indien vijf uur wordt gedraaid, gemiddeld een bedrag van € 600,- verdient en het feit dat appellante op drie dagen in totaal slechts een uur en twintig minuten heeft gedraaid. Het college is van mening dat een schatting van de inkomsten die appellante heeft ontvangen of een redelijke vergoeding die appellante had kunnen bedingen niet te maken is, omdat de bedragen die professionele dj’s, zoals appellante, voor een optreden kunnen vragen sterk fluctueren en de duur van de optredens van appellante niet bekend is. Als het college al een schatting zou maken, dan zou het college uitkomen op een bedrag van € 815,- voor een optreden van vijf uur.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 juni 2016;
- herroept het besluit van 16 maart 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van
het besluit van 27 juni 2016;
- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2018.
(getekend) M. Hillen
(getekend) C.A.E. Bon
LO