Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-03-29
ECLI:NL:CRVB:2018:1034
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,494 tokens
Inleiding
154714 WIA-T
Datum uitspraak: 29 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27 mei 2015, 12/1213 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
Overwegingen
1.1.
Bij appellant is [werkneemster] (werkneemster) werkzaam geweest. Op 16 september 2008 is
werkneemster wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden. Bij besluit van
27 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor werkneemster met ingang van 14 september 2010 op grond van artikel 54 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Bij besluit van eveneens 27 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 14 september 2010 het financiële risico draagt voor de betaling van de WGA-uitkering van werkneemster, dat het Uwv de WGA-uitkering aan werkneemster zal betalen en achteraf op appellant zal verhalen. Bij uitspraak van 2 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3383) heeft de Raad vastgesteld dat in rechte vaststaat dat appellant eigenrisicodrager is voor de Wet WIA.
1.2.
Bij besluit van 21 december 2011 heeft het Uwv aan werkneemster medegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering op 14 februari 2012 (datum in geding) eindigt en dat aan haar met ingang van die datum een WGA-loonaanvullingsuitkering wordt toegekend, uitgaande van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,68. Bij besluit van
2 februari 2012 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2011 ongegrond verklaard.
1.3.
Tijdens de behandeling van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit heeft het Uwv werkneemster alsnog laten onderzoeken door een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, waarna bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 juli 2014 (bestreden besluit II) het bezwaar van appellant onveranderd ongegrond wordt geacht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant – voor zover gericht tegen bestreden besluit I – niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan wat is gesteld in de rapporten van 13 maart 2014 en
15 mei 2014 van de verzekeringsarts en in de rapporten van 10 juni 2014 van de arbeidsdeskundige en van 18 juli 2014 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gronden aangevoerd tegen bestreden besluit II en naar voren gebracht dat de mate van arbeidsongeschiktheid van zijn werkneemster op een lager percentage dan 62,68 moet worden gesteld omdat zijn werkneemster dagelijks tal van andere werkzaamheden en bezigheden blijkt te verrichten. Daardoor is het ongeloofwaardig dat zij slechts 10 uur per week zou kunnen werken. Appellant heeft een nader aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek door een onafhankelijke arts en arbeidsdeskundige bepleit.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In het geval een belanghebbende werkgever de mate van arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer betwist, stellende dat die (ex-)werknemer niet arbeidsongeschikt is dan wel minder arbeidsongeschikt dan door het Uwv is aangenomen, brengt de aard van de betrokken belangen mee dat het Uwv het besluit ten aanzien van die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert. Dit geldt voor zowel de medische als de arbeidskundige kant van een schatting. De Raad wijst in dit verband op bijvoorbeeld zijn uitspraak van 2 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9342.
4.2.
De Raad is van oordeel dat bestreden besluit II niet voldoet aan de in 4.1 geformuleerde motiveringseis. Het standpunt van het Uwv, als neergelegd in het rapport van de verzekeringsarts van 15 mei 2014, dat er bij de werkneemster op de datum in geding sprake was van nog immer slechts marginale mogelijkheden, wordt niet gedragen door de thans beschikbare gegevens. In de brieven van de behandelaars van Punt-P van 11 januari 2010 en 29 maart 2010 wordt gesteld dat werkneemster op korte termijn verminderd belastbaar is en op lange termijn normaal belastbaar zal zijn. Werkneemster is niet gezien door een verzekeringsarts rondom de datum in geding en in de rapporten van de verzekeringsarts van 13 maart 2014 en 15 mei 2014 is geen dagverhaal ten tijde van de datum in geding neergelegd. In het rapport van 15 mei 2014 is onvoldoende inzichtelijk weergegeven welke gegevens Punt-P aan de verzekeringsarts verstrekt heeft. Enig inzicht in de aanhoudende psychische klachten ontbreekt, evenals een inzichtelijk overzicht van de tijdspanne en de impact op het dagelijks leven van de diverse gevolgde therapieën.
4.3.
Gelet op overweging 4.2 bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in bestreden besluit II te herstellen. Hiertoe dient een nader rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep te worden ingediend. Dit rapport dient gebaseerd te zijn op een advies van een onafhankelijke psychiater en op informatie van Punt-P omtrent de datum in geding. Indien dit leidt tot een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst, dient een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te worden ingediend en eventueel een nieuwe beslissing op bezwaar te worden genomen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen 3 maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 22 juli 2014 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
29 maart 2018.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) L.H.J. van Haarlem
OS
Inleiding
154714 WIA-T
Datum uitspraak: 29 maart 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27 mei 2015, 12/1213 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
Overwegingen
1.1.
Bij appellant is [werkneemster] (werkneemster) werkzaam geweest. Op 16 september 2008 is
werkneemster wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden. Bij besluit van
27 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor werkneemster met ingang van 14 september 2010 op grond van artikel 54 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Bij besluit van eveneens 27 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 14 september 2010 het financiële risico draagt voor de betaling van de WGA-uitkering van werkneemster, dat het Uwv de WGA-uitkering aan werkneemster zal betalen en achteraf op appellant zal verhalen. Bij uitspraak van 2 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3383) heeft de Raad vastgesteld dat in rechte vaststaat dat appellant eigenrisicodrager is voor de Wet WIA.
1.2.
Bij besluit van 21 december 2011 heeft het Uwv aan werkneemster medegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering op 14 februari 2012 (datum in geding) eindigt en dat aan haar met ingang van die datum een WGA-loonaanvullingsuitkering wordt toegekend, uitgaande van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 62,68. Bij besluit van
2 februari 2012 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2011 ongegrond verklaard.
1.3.
Tijdens de behandeling van het beroep van appellant tegen het bestreden besluit heeft het Uwv werkneemster alsnog laten onderzoeken door een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, waarna bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 22 juli 2014 (bestreden besluit II) het bezwaar van appellant onveranderd ongegrond wordt geacht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant – voor zover gericht tegen bestreden besluit I – niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan wat is gesteld in de rapporten van 13 maart 2014 en
15 mei 2014 van de verzekeringsarts en in de rapporten van 10 juni 2014 van de arbeidsdeskundige en van 18 juli 2014 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep gronden aangevoerd tegen bestreden besluit II en naar voren gebracht dat de mate van arbeidsongeschiktheid van zijn werkneemster op een lager percentage dan 62,68 moet worden gesteld omdat zijn werkneemster dagelijks tal van andere werkzaamheden en bezigheden blijkt te verrichten. Daardoor is het ongeloofwaardig dat zij slechts 10 uur per week zou kunnen werken. Appellant heeft een nader aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek door een onafhankelijke arts en arbeidsdeskundige bepleit.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In het geval een belanghebbende werkgever de mate van arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer betwist, stellende dat die (ex-)werknemer niet arbeidsongeschikt is dan wel minder arbeidsongeschikt dan door het Uwv is aangenomen, brengt de aard van de betrokken belangen mee dat het Uwv het besluit ten aanzien van die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert. Dit geldt voor zowel de medische als de arbeidskundige kant van een schatting. De Raad wijst in dit verband op bijvoorbeeld zijn uitspraak van 2 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9342.
4.2.
De Raad is van oordeel dat bestreden besluit II niet voldoet aan de in 4.1 geformuleerde motiveringseis. Het standpunt van het Uwv, als neergelegd in het rapport van de verzekeringsarts van 15 mei 2014, dat er bij de werkneemster op de datum in geding sprake was van nog immer slechts marginale mogelijkheden, wordt niet gedragen door de thans beschikbare gegevens. In de brieven van de behandelaars van Punt-P van 11 januari 2010 en 29 maart 2010 wordt gesteld dat werkneemster op korte termijn verminderd belastbaar is en op lange termijn normaal belastbaar zal zijn. Werkneemster is niet gezien door een verzekeringsarts rondom de datum in geding en in de rapporten van de verzekeringsarts van 13 maart 2014 en 15 mei 2014 is geen dagverhaal ten tijde van de datum in geding neergelegd. In het rapport van 15 mei 2014 is onvoldoende inzichtelijk weergegeven welke gegevens Punt-P aan de verzekeringsarts verstrekt heeft. Enig inzicht in de aanhoudende psychische klachten ontbreekt, evenals een inzichtelijk overzicht van de tijdspanne en de impact op het dagelijks leven van de diverse gevolgde therapieën.
4.3.
Gelet op overweging 4.2 bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in bestreden besluit II te herstellen. Hiertoe dient een nader rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep te worden ingediend. Dit rapport dient gebaseerd te zijn op een advies van een onafhankelijke psychiater en op informatie van Punt-P omtrent de datum in geding. Indien dit leidt tot een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst, dient een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te worden ingediend en eventueel een nieuwe beslissing op bezwaar te worden genomen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen 3 maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 22 juli 2014 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
29 maart 2018.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) L.H.J. van Haarlem
OS