Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-03-01
ECLI:NL:CRVB:2017:867
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,531 tokens
Inleiding
14/2166 WSF
Datum uitspraak: 1 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2014, 13/5306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.M. van Woensel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.
Het onderzoek is heropend na de zitting. Op verzoek van de Raad heeft de minister nadere informatie verstrekt. Partijen hebben over en weer gereageerd.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1.1.1.
De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 1 juni 2013 met ingang van 1 maart 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 22 februari 2013 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres [adres a] te
[woonplaats]. Onder dit adres staan tevens haar oom, haar tante en hun drie kinderen ingeschreven.
1.2.1.
Op 22 mei 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de gba was ingeschreven om te controleren of zij op dit adres woont. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de oom opgenomen. Van het onderzoek is op 4 juni 2013 een rapport opgemaakt. Bij het rapport zijn een verklaring van de oom en foto’s gevoegd.
1.2.2.
In het rapport is – onder meer – vermeld dat de oom verklaarde dat appellante een goede kennis is van hem, dat ze thuis weg wilde en bij hem en zijn vrouw kon komen wonen. Hij verklaarde zich niet met appellante te bemoeien. Ze heeft een eigen kamer en kan met een eigen sleutel binnen komen. Ze heeft daar volgens haar oom kleding liggen en misschien ook andere spullen. Appellante eet volgens haar oom ook wel eens ergens anders. Ze betaalt wisselend mee in de kosten. De oom verklaarde niet te weten of er administratie ligt. Ook wist hij niet welke studie appellante volgt. De oom toonde de controleurs de kamer van appellante met daarin een tweepersoonsbed, een kleine ladekast en een kledingkast met in beide kasten kleding die volgens de oom van appellante was. Volgens de controleurs ging het om kleding van de kinderen in verschillende kledingmaten. Op de ladekast stond een toilettas met nagenoeg niet gebruikte make-up. In de slaapkamer werden naar in het rapport is vermeld geen administratie, studiemateriaal, foto’s of andere persoonlijke bezittingen van appellante aangetroffen.
1.3.
De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2.2 weergegeven rapport de vanaf 1 maart 2013 aan appellante toegekende studiefinanciering bij besluit van
8 juni 2013 herzien, in die zin dat appellante vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over maart tot en met mei 2013 te veel betaalde bedrag van
€ 585,- is daarbij van haar teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de minister aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 292,50.
1.5.
De minister heeft het tegen de besluiten van 8 juni 2013 en 13 juni 2013 gemaakte bezwaar bij besluit van 14 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat tijdens de controle niets werd aangetroffen dat aantoonbaar aan appellante toebehoort.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het door de minister ingenomen standpunt dat appellante niet feitelijk woonachtig was op het gba-adres. Daartoe is overwogen dat de controleurs geen enkele bezitting hebben aangetroffen die aantoonbaar van appellante was en die duidt op structurele en langdurige bewoning door appellante. Met hetgeen appellante heeft gesteld heeft zij volgens het oordeel van de rechtbank het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij haar hoofdverblijf niet had op het gba-adres.
3.2.
Appellante heeft gesteld dat de controleurs in het rapport ten onrechte hebben vermeld dat er enkel kinderkleding aanwezig is. Dat deze vermelding niet juist is, blijkt al uit de bij het rapport gevoegde foto van de kleding waarop een bh-sluiting is te zien. Naast de kinderkleding was ook haar kleding aanwezig. Dat dit kleding was in een kleine maat is juist en past bij haar lichaamsbouw. Uit onderzoek van de aangetroffen kleding of het vragen van uitleg aan haar oom had dit op eenvoudige wijze kunnen worden vastgesteld.
3.3.
Appellante heeft voorts naar voren gebracht dat het onderzoek ook overigens niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Appellante had een doos met administratie en schoenen onder het bed liggen, toiletartikelen in de badkamer, handdoeken in een kast en eten in de keuken. Haar studiemateriaal staat op haar laptop, die zij bij zich had.
3.4.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij woonachtig is op het gba-adres, heeft appellante ten slotte verwezen naar verklaringen van de bovenbuurvrouw van haar moeder, een vriendin en een buurmeisje.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Wat betreft de herziening en boeteoplegging overweegt de Raad als volgt. Willen een herziening en boeteoplegging als hier aan de orde in rechte stand kunnen houden dan moet de minister in het kader van de herziening aannemelijk maken en in het kader van de boeteoplegging aantonen dat appellante niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn gesteld. Voor de toetsingskaders verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1878. Verder geldt dat het besluit dient te berusten op een onderzoek waarbij de minister voldoet aan zijn in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde plicht tot het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
4.1.2.
Het besluit tot herziening en boeteoplegging dient in de regel te worden onderbouwd aan de hand van een rapport waarin de resultaten zijn neergelegd van een onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie van de studerende. In de uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4989, overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3, heeft de Raad omschreven aan welke eisen een dergelijk onderzoek en een daarvan opgemaakt rapport ten minste dienen te voldoen.
4.2.1.
De controleurs hebben in het rapport van 4 juni 2013 de conclusie getrokken dat appellante niet haar hoofdverblijf op het gba-adres had. In het rapport wordt deze conclusie echter niet op voldoende wijze onderbouwd. In het rapport is vermeld dat de controleurs toestemming kregen om de woning te betreden. Na een – summier beschreven – gesprek met de oom kregen de controleurs toestemming om de kamer van appellante te bekijken. Niet duidelijk is waarop de constatering “De slaapkamer maakte weliswaar een bewoonde indruk, maar uit niets kon worden opgemaakt dat de student er verbleef” is gebaseerd. Niet is beschreven waardoor de slaapkamer volgens de controleurs een bewoonde indruk maakte. Evenmin is beschreven waaruit bleek dat appellante er niet verbleef en wie van de ingeschrevenen er dan wel verbleef. De oom is ook niet geconfronteerd met de constatering van de controleurs dat appellante er niet zou verblijven en is niet om uitleg gevraagd. In dit verband is ook niet begrijpelijk waarom enkel de slaapkamer van appellante is bezien en niet ook de overige (slaap)kamers. Uit het rapport blijkt niet dat de oom is gevraagd de overige (slaap)kamers in de woning te tonen en uiteen te zetten waar alle op het gba-adres ingeschrevenen hun slaapplaats en hun kleding hebben. Wat betreft de aangetroffen kleding in zowel de kledingkast als een kleine ladekast is niet duidelijk waarop de aanname “Het was voor ons duidelijk dat het hier om kleding van de kinderen ging” is gebaseerd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 oktober 2013;
herroept de besluiten van 8 juni 2013 en 13 juni 2013;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 oktober 2013;
bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 166,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.475,-.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.W.L. van der Loo
SS