Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-02-22
ECLI:NL:CRVB:2017:614
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,523 tokens
Inleiding
14/6303 WSF
Datum uitspraak: 22 februari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2014, 14/1694 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M. Westerveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Westerveld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
De Raad heeft het onderzoek heropend om nadere informatie in te winnen bij de minister. De minister heeft de gevraagde informatie verstrekt.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1.1.
De minister heeft, voor zover hier van belang, met ingang van augustus 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Appellant stond van 7 mei 2013 tot 19 september 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) onder het adres [adres] .
1.2.1.
Op 19 september 2013 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de gba stond ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is op 27 september 2013 een rapport opgemaakt. Bij het rapport is de verklaring van de hoofdbewoner gevoegd.
1.2.2.1. De verklaring van de hoofdbewoner luidt als volgt:
[naam] [de hoofdbewoner] laat ons binnen en verklaart hier te wonen met zijn vrouw, 3 kinderen en student. De broer van meneer [naam] heeft een briefadres hier. Student slaapt bij de 2 zoontjes in de kamer op een matrasje. Er liggen wat kleren van student, maar geen schoolboeken, administratie of andere persoonlijke spullen.”
1.2.2.2. De controleurs hebben hun waarnemingen en bevindingen tijdens het huisbezoek op het gba-adres – voor zover van belang volledig aangehaald – als volgt verwoord:
“Wij hebben met toestemming van betrokkene [de hoofdbewoner] de woning bekeken. De woning bevat drie slaapkamers en een woonkamer. Betrokkene en zijn vrouw hebben een slaapkamer, de dochter heeft een eigen kamer en de twee zoons delen samen een kamer. Student zou op een matrasje slapen in de kamer van de twee zoons. Het matrasje ligt opgeborgen in de kamer van de dochter. Betrokkene laat wat kleding in de kast zien die van student zou zijn. Betrokkene kon verder geen spullen van student laten zien, zoals schoolboeken, administratie of andere persoonlijke bezittingen.”
De conclusie van de controleurs luidt als volgt:
“Het was voor ons overduidelijk dat student er niet woont. De hoofdbewoner gaf aan dat student tijdelijk om een slaapplek vroeg. Hij gaf aan dat hij er ook geen zin meer in had, omdat ze zelf al weinig ruimte hebben. Dezelfde dag is student terug verhuisd naar het adres van zijn ouders.”
1.3.
De minister heeft – voor zover hier van belang – op basis van het onder 1.2.2.1 en 1.2.2.2 weergegeven rapport, bij besluit van 5 november 2013 de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 augustus 2013 herzien in die zin dat appellant vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellant over de periode van augustus 2013 tot en met oktober 2013 te veel betaalde bedrag van € 585,- is daarbij van hem teruggevorderd. Voorts heeft de minister bij besluit van 7 november 2013 een bestuurlijke boete van € 195,- aan appellant opgelegd. De besluiten van 5 november 2013 en 7 november 2013 zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 februari 2014 (bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant – kort samengevat – aangevoerd dat het rapport van 27 september 2013 geen voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat hij niet op het gba-adres woonde. Volgens appellant is het onderzoek naar zijn feitelijke woon- en leefsituatie onvoldoende zorgvuldig verricht. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij wel op het gba-adres woonde, heeft appellant enkele poststukken overgelegd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Uit de uitspraak van de Raad van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4989, volgt het navolgende. Willen een besluit tot herziening van studiefinanciering, onderscheidenlijk een besluit tot boeteoplegging, als in deze zaak aan de orde, in rechte stand houden, dan moet de minister in het kader van de herziening aannemelijk maken en in het kader van de boeteoplegging aantonen dat appellant niet heeft voldaan aan de vereisten die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn gesteld. Verder geldt dat deze besluiten dienen te berusten op een onderzoek waarbij de minister voldoet aan zijn in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde plicht tot het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
4.2.1.
Besluiten als genoemd in 4.1 dienen in de regel te berusten op de resultaten van door aangewezen controleurs verricht onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie van de student als neergelegd in rapporten getiteld “Rapportage aan DUO; Misbruik uitwonendenbeurs”. Deze rapporten dienen deugdelijk inzicht te geven in de wijze waarop het onderzoek door de controleurs is verricht, waaruit het onderzoek heeft bestaan, wat bij het onderzoek is aangetroffen, wat pleit voor en wat pleit tegen het aannemen van bewoning door de student van het gba-adres en welke afwegingen ten grondslag hebben gelegen aan de in het rapport getrokken conclusie omtrent het al dan niet bewonen door de student van het
gba-adres.
4.2.2.
Uit het rapport dient te blijken dat een evenwichtig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat niet slechts is gezocht naar feiten en omstandigheden die bijdragen aan het beeld dat de student niet op zijn gba-adres woont. Uit de wijze waarop in het rapport verslag van het onderzoek wordt gedaan, dient te volgen welke objectieve waarnemingen zijn gedaan. Indien in het rapport indrukken worden vermeld, conclusies worden getrokken of feiten worden gekwalificeerd, dan dienen deze te worden onderscheiden van de objectieve waarnemingen. Ook dienen de controleurs te vermelden op grond van welke waarnemingen tot een indruk of conclusie is gekomen dan wel op grond waarvan de kwalificatie heeft plaatsgevonden.
4.2.3.
Uit het rapport dient voorts te blijken dat de controleurs een leidende rol hebben vervuld bij het onderzoek. Het is aan de controleurs het onderzoek actief te verrichten. Indien de controleurs niet in staat zijn relevante feiten of omstandigheden vast te stellen, dienen zij dit onder opgaaf van redenen te vermelden. Indien zij aan het niet kunnen vaststellen van feiten of omstandigheden gevolgen wensen te verbinden, dienen zij uiteen te zetten op grond waarvan dit naar hun mening tot de mogelijkheden behoort.
4.3.
De controleurs hebben in het rapport van 27 september 2013 de conclusie getrokken dat appellant niet op het gba-adres woonde. In het rapport wordt echter geen deugdelijk inzicht gegeven in hoe deze conclusie tot stand is gekomen, ook niet in samenhang bezien met de verklaring van de hoofdbewoner. Wat is beschreven in het rapport – “Student zou op een matras slapen in de kamer van de twee zoons. Het matras ligt opgeborgen in de kamer van de dochter. Betrokkene laat wat kleding zien die van student zou zijn. Betrokkene kon verder geen spullen van student laten zien, zoals schoolboeken, administratie of andere persoonlijke bezittingen.” – is niet redengevend voor de conclusie dat appellant niet op het gba‑adres woonde.
4.3.1.
Uit de verklaring van de hoofdbewoner volgt dat appellant een slaapplaats op het gba‑adres had en dat er kleding van hem op dat adres lag. Uit de formuleringen in het rapport – “Student zou op een matrasje slapen in de kamer van de twee zoons. […] Betrokkene laat wat kleding in een kast zien die van student zou zijn.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 10 februari 2014;
herroept de besluiten van 5 november 2013 en 7 november 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 10 februari 2014;
veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.970,-;
bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 167,-.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2017.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.W.L. van der Loo
UM