Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-16
ECLI:NL:CRVB:2017:3979
17 990 AW Datum uitspraak: 16 november 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 januari 2017, 16/4142 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van bestuur van Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (college van bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college van bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Simicevic, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van Bremen. Het college van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Bon en G.E.R. Lambers. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante was sinds 1 januari 2003 werkzaam als docent (Nederlands) aan het [naam school 1] op basis van een aanstelling voor onbepaalde tijd. Zij beschikte daarbij niet over de vereiste tweedegraads bevoegdheid voor het voortgezet onderwijs. Daarvoor werkte zij sinds 1993 op verschillende basisscholen vallend onder het gezag van de (rechtsvoorganger van) Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam. 1.2. In 2009 is appellante bij een samenwerkingsverband tussen de [naam school 3] en de [naam school 4] gestart met een opleiding voor het behalen van de onderwijsbevoegdheid Nederlands tweede graad. In 2010 heeft zij haar propedeuse behaald. In 2012 is appellante met haar opleiding gestopt omdat de [naam school 3] en de [naam school 4] de samenwerking beëindigden. 1.3. Met ingang van 1 augustus 2011 is de Collectieve Arbeidsovereenkomst Voortgezet Onderwijs (CAO VO) gewijzigd, in die zin dat het onderwijzend personeel vanaf die datum bevoegd moet zijn, of binnen maximaal vier jaar de wettelijke onderwijsbevoegdheid dient te behalen. 1.4. Omdat bleek dat een overstap naar de [naam school 2] zou betekenen dat appellante haar opleiding van voren af aan zou moeten beginnen terwijl zij al veel vakken had afgerond, heeft het college van bestuur in februari 2013 het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verzocht om appellante op grond van haar ervaring een permanente ontheffing van vakbekwaamheidseisen te verlenen. Dit verzoek is in maart 2013 afgewezen. Medio 2013 bleek de [naam school 4] de opleiding Nederlands tweedegraads aan te bieden. Met hulp van haar leidinggevende E heeft appellante de [naam school 4] gevraagd welke vrijstellingen zij zou kunnen krijgen. 1.5. Nog voordat de [naam school 4] duidelijkheid had gegeven over de vrijstellingen heeft de rector van het [naam school 1] appellante bij brief van 23 september 2013 te kennen gegeven dat als zij eind maart niet kan aantonen dat zij per 1 augustus haar tweedegraads bevoegdheid zal behalen, het dienstverband per 1 augustus 2014 zal worden beëindigd. 1.6. In maart 2014 was er duidelijkheid over de vrijstellingen en is appellante bij de [naam school 4] gestart met het vervolg van haar opleiding. Blijkens het verslag van een ontwikkelgesprek op 20 maart 2014 heeft appellante van de locatiedirecteur H toestemming gekregen om het komend jaar op het [naam school 1] te blijven. Appellante heeft te kennen gegeven ernaar te streven om in augustus 2015 haar diploma te behalen, maar dat dit alleen kan als de [naam school 4] tijdig het programma klaar heeft. 1.7. Nadat het college van bestuur op 29 mei 2015 het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante op 16 juni 2015 haar zienswijze heeft gegeven, heeft het college van bestuur bij besluit van 9 juli 2015, na bezwaar in afwijking van het advies van de adviseur bezwaarschriften gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2016 (bestreden besluit), appellante eervol ontslag verleend wegens het niet tijdig behalen van haar onderwijsbevoegdheid. Dat is volgens het college van bestuur een reden van gewichtige aard in de zin van artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO VO 2014-2015. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het be Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 9 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3298) moeten redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 10.b.3 van de CAO VO 2014-2015 in overwegende mate betrekking hebben op de persoon van de werknemer en zijn directe werksituatie. Dergelijke redenen kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in een in de loop der tijd ontstane impasse die in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verlangd. In dit kader moet worden gewaakt tegen een te extensieve uitleg van het begrip “redenen van gewichtige aard”. 4.4.2. Het enkele feit dat appellante - niet tijdig - beschikte over de vereiste onderwijsbevoegdheid is op zichzelf niet te beschouwen als een omstandigheid die in overwegende mate betrekking heeft op haar persoon en haar directe werksituatie en is dus ook geen reden van gewichtige aard die het college van bestuur de bevoegdheid geeft om haar te ontslaan. Om te kunnen beoordelen of sprake is van redenen van gewichtige aard dienen de omstandigheden van de individuele situatie te worden beoordeeld. 4.4.3. De Raad stelt voorop dat het college van bestuur in redelijkheid van appellante mag eisen dat zij haar onderwijsbevoegdheid haalt; dit heeft zij ook niet betwist. Daarbij wordt van het college van bestuur wel geëist dat het appellante voldoende faciliteert. Nu appellante is aangesteld voor onbepaalde tijd, kan enerzijds niet zonder meer worden gesteld dat de (strikte) in artikel 9.b.4, vierde lid, van de CAO VO 2014-2015 gestelde termijnen ook voor haar gelden. Anderzijds gelden voor haar ten minste de faciliteiten die op grond van het tweede en derde lid van dat artikel aan onbevoegde leraren met een tijdelijke aanstelling moeten worden geboden: vaststelling van een studieplan, waarin facilitering in tijd en geld zijn vastgelegd, dat leidt tot het behalen van een wettelijke onderwijsbevoegdheid binnen twee jaar en het verlenen van studieverlof voor studieactiviteiten die onder werktijd plaatsvinden. Appellante heeft terecht aangevoerd dat het college van bestuur voor haar geen studieplan heeft vastgesteld. Het college van bestuur heeft daar tegenover gesteld dat een apart studieplan niet meer nodig was, omdat werkgever en werknemer wisten waar zij aan toe waren. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is echter het tegendeel gebleken. Zo was het onduidelijk wat er was afgesproken over de termijn waarop appellante de opleiding (naast haar fulltime baan) moest hebben afgerond. In de brief van 23 september 2013 is nog sprake van 1 augustus 2014. Appellante, die het vervolg van haar opleiding met medeweten van het [naam school 1] pas in maart 2014 heeft hervat, dacht dat zij vanaf maart 2014 ten minste twee jaar de tijd had. Dit vindt zijn bevestiging in de door haar overgelegde e-mail van H. Uit het verslag van het ontwikkelgesprek met E blijkt wel het streven om op 1 augustus 2015 de opleiding af te ronden, maar niet dat het appellante duidelijk kon zijn dat zij voor die datum haar onderwijsbevoegdheid moest hebben behaald, omdat zij anders ontslagen zou worden. Ook over de facilitering in tijd en geld bestaat onduidelijkheid. In diverse processtukken heeft het college van bestuur voor studie beschikbare aantallen uren vermeld, variërend van 276 uur in de schooljaren 2009/2010 en 2010/2011 tot 264 uur in het schooljaar 2013/2014 en zowel 202 uur als 362 uur voor het schooljaar 2014/2015. Deze afspraken zijn volgens het college van bestuur vastgelegd in brieven, verslagen en normjaartaken en opgebouwd uit samentelling van studietijd, deskundigheidsbevordering, compensatie studieverlof, knelpuntenaanpak 1, mentoraat en teamvergaderingen. Appellante heeft dit bestreden. Van eenduidige afspraken over de facilitering in tijd van de in maart 2014 hervatte opleiding is dan ook zeker geen sprake. Over de facilitering in geld is in het verslag van het ontwikkelgesprek vermeld dat appellante de kost