Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-09
ECLI:NL:CRVB:2017:3948
17/5565 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het bestuur van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (bestuur) Datum uitspraak: 9 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.L. Gerrits, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur van 11 juli 2017 (bestreden besluit). Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerrits. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. van Putten-de Waard en mr. M.W. Koek. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren in 1958, is in 2001 benoemd tot [functie a] in de voormalige rechtbank [rechtbank a] , team [team 1] . Daarna was hij van 2006 tot 2009 werkzaam in het team [team 2] . In 2009 is appellant, na een sollicitatieprocedure, benoemd tot [functie b] (thans [functie] ) en is hij geplaatst in het team [team 3] , locatie [locatie] . 1.2. Per 1 januari 2013 is de Wet herziening gerechtelijke kaart in werking getreden. Daardoor is de rechtbank [rechtbank a] opgehouden te bestaan en is appellant van rechtswege overgegaan naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. 1.3. Medio 2016 is aan appellant door zijn teamleiding meegedeeld dat hij langer dan zes jaar in het team werkzaam is en dat hij mogelijk in aanmerking komt voor roulatie naar het team [team 4] . Appellant heeft daarop te kennen gegeven dat hij niet wil rouleren. 1.4. Nadat het bestuur het voornemen daartoe had kenbaar gemaakt en appellant daarop zijn zienswijze had gegeven, heeft het bestuur bij besluit van 11 januari 2017 bepaald dat appellant per 1 juli 2017 zal rouleren naar het team [team 2] . Daarbij is vermeld dat de mogelijkheid bestaat van het maken van een maatwerkafspraak, die bijvoorbeeld inhoudt dat appellant na een aantal jaren weer terugkeert naar het team [team 3] . 1.5. Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 11 januari 2017 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de roulatiedatum op 1 september 2017 is gesteld. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat in het toepasselijke Loopbaan- en roulatiebeleid rechters rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 november 2014 (roulatiebeleid 2014) geen uitzonderingspositie is opgenomen voor rechters die een bepaalde leeftijd hebben bereikt. Ook is geen overgangsregeling getroffen voor rechters die al de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt. Aan appellant is geen concrete en ondubbelzinnige toezegging gedaan dat hij niet zou behoeven te rouleren. Met het roulatiebeleid wordt onder meer een bredere inzetbaarheid van rechters nagestreefd, naast het leveren van een bijdrage aan de persoonlijke ontwikkeling en de vergroting van kennis en vaardigheden. In dit geval is de roulatie er mede op gericht om tot een evenwichtige leeftijdsopbouw binnen het team [team 3] te komen en is verder de wens van rechters buiten het team [team 3] betrokken om bij dit team te komen werken. Appellant heeft geen zodanige persoonlijke belangen naar voren gebracht dat het organisatiebelang daarvoor zou moeten wijken. 2. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit gekeerd. 3. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2752) staat het een bestuursorgaan in beginsel vrij om zelf de inrichting van zijn organisatie te bepalen. Het moet daarbij uiteraard blijven binnen de door de wet, in dit geval in het bijzonder de Wet op de rechterlijke organisatie, gestelde kaders. Met betrekking tot de verdeling van de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren komt op grond van artikel 41 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het bestuur eveneens een grote vrijheid toe. De rechterlijke toetsing van een in dat kader genomen besluit moet dus met terughoudendheid plaatsvinden. 3.2. In het roulatiebeleid 2014 is vastgelegd dat dit